Moederschap. Het weegt. Er rust een de-facto eindverantwoordelijkheid op je voor de kinderen. Je schuldgevoel is steevast groter. Wanneer je even geen tijd hebt voor hen, wanneer ze naar de crèche gaan, wanneer je je werkstress mee naar huis neemt… Ik moet denken aan een film uit de vroege jaren zeventig waarin een man een weddingschap aangaat met zijn thuiswerkende vrouw en vervolgens het huishouden overneemt voor een jaar. De man verliest zijn weddingschap en zet zijn vrouw in de bloemetjes. Moraal van het verhaal: een huishouden met 3 kinderen runnen en elke avond op tijd een warm bord op de tafel, het is een dagtaak op zich, en één die minstens evenveel kunde en organisatietalent vereist als de bureaujob van manlief. Mooi zo, maar dat was de vroege jaren ’70, en slechts één ouder ging werken. En vooral, ik zie ze nog bevestigend knikken na die film, die lieve moeders van toen. Maar intussen vergaten ze wel hun jongetjes anders op te voeden.
Ach, die jongetjes van toen, vrije vogels, levend in boomhutten en luchtkastelen, zonder zorgen of verantwoordelijkheden, aangepast aan een leven als voetzoeker in de steppe. Soms waren het gekwetste vogeltjes, maar ook dan klapperden ze dapper hun vleugeltjes in de wind, om snel weer het gevaar uit hun ingebeelde verhalen te trotseren.
Dertig jaar later worden moeders van nu dagelijks afgeblaft, van de weg gereden, gediscrimineerd op de werkvloer omwille van hun vermogen nageslacht op de wereld te zetten. Of nog erger: ze worden mishandeld en verkracht, onder druk gezet om nog meer te presteren. Verplicht om hun gevoelens te verbijten. En dan gaat het voor één keer niet over gebieden vol oorlog en armoede. Het gaat over ons. Hier.
Het is godgeklaagd. Ik kan er niet meer tegen. Als ik zo geen angst had voor de verantwoordelijkheid liet ik me ombouwen. Uit solidariteit.
woensdag, mei 12, 2004
dinsdag, april 06, 2004
Huispersoneel in India: “belachelijk, dom en simpel” - Belgische zuster neemt het op voor meest uitgebuite vrouwen
Toen Jeanne Devos in 1963 naar India trok, was ze sterk gefascineerd door het mystieke en de verbondenheid met alles. Maar al snel botste ze in haar zoektocht naar diepe menselijkheid op de manifeste ongelijkheid in de Indiase samenleving. Nu, veertig jaar later, is ze de patrones van vrouwen die tot voor kort totaal genegeerd werden in haar rechten: huispersoneel. Amnesty zocht haar op in haar piepkleine appartementje in Mumbai.
Na een tijdje gewerkt te hebben met gehandicapten en dorpsontwikkeling kreeg je begin jaren ’80 een sterke voorkeur voor vrouwen, waarom die toespitsing?
“Omdat vrouwen een cruciale rol spelen in ontwikkeling. En ook omdat ze op zo’n massale manier worden geëxploiteerd. Mijn interesse ging uit naar de meest uitgebuite van allemaal: de sekswerkers en het alomtegenwoordige huispersoneel waarin ik me al snel begon te specialiseren omdat ze zo’n
totaal onderbelichte en verborgen groep vormen.”
Wat is er zo specifiek aan hun situatie?
“Ze hebben geen enkele mogelijkheid iets te doen met hun ervaringen. Die worden enkel vanuit het perspectief van de werkgever geïnterpreteerd. Ik wilde hen een eigen stem geven. Ze toelaten hun eigen verhaal te vertellen. Eerste probleem is dat hun eigenwaarde vernietigd is: hun ‘wij zijn goed voor niets houding.’ En verder: hun totaal gebrek aan rechten; in de media worden ze voorgesteld als belachelijk, dom en simpel. Ook kunnen ze zich niet organiseren, er bestaat geen vakbond voor hen.”
Was het eenvoudig om zich met deze relatief onbekende problematiek in te laten? “Er was veel tegenstand: ik kreeg allerlei bedreigingen, je werkt tenslotte alle machtigen tegen, iedereen die het zich kan veroorloven heeft huispersoneel. Gelukkig geloofde mijn congregatie in mij en ook bij Broederlijk Delen vond ik van in het begin steun. Na een tijdje zegden ook Indiase mensenrechten advocaten hun steun toe. Ondertussen hebben we 11 wetsvoorstellen kunnen indienen in het parlement. In één van de eerste voorstellen uit 1989 worden een aantal basisrechten opgesomd. Nadat het in vier staten werd voorgesteld is het aangenomen in Tamil Nadu. In Mumbai werd het eveneens aangenomen maar lieten tegenstanders alle cijfers eruit halen. Zo overleefde het voorgestelde minimumloon de tegenkanting niet. Wél, en dat was nieuw, werd het bestaan van huisarbeiders erkend.”
Jullie staan niet helemaal alleen met dat werk, mogen we hopen? ”Wij lanceren de wet mee, maar het lobbywerk wordt gedaan door specialisten. Van de wetsvoorstellen zijn er twee gedaan op nationaal niveau. Maar India is sterk gefederaliseerd. De anderen zijn op staatsniveau ingediend.
In de media hebben we onderhand wel 2 à 3 journalisten op onze hand in elke grote krant. Als er iets gebeurd, een verkrachting of een dood van een huisarbeidster, dan slagen we erin om dat in de media te krijgen.
Er zijn ook dievenbendes die misbruik maken van het statuut van huispersoneel. Ze melden zich aan als werker, winnen het vertrouwen van de eigenaar en bestelen en vermoorden dan iedereen. Wij helpen mee deze bendes te ontmaskeren en het publiek ervoor te waarschuwen via de pers.”
“We hebben ook een nationale campagne opgezet tegen vrouwenhandel. Zo zijn er zogenaamde ‘handelaars’ die naar de dorpen gaan en die meisjes kopen om ze in de stad weer te verkopen. Luisteren naar de vrouwen is belangrijk: hun verhalen zijn de realiteit. En daarmee gaan we aan de slag. Zo hebben we voor één wetsvoorstel bijna 1 miljoen handtekeningen kunnen verzamelen, meestal duimafdrukken want weinigen kunnen schrijven.”
Moet je nu, na al die jaren, nog oppassen voor je eigen veiligheid? “De Indiase ambassade in België pluist de Belgische pers sterk uit: als ze iets vinden dat tegen de regering ingaat, staan ze heel snel hier en kunnen ze het me knap lastig maken om nog campagne te voeren. Maar mij persoonlijk raken, neen. Daarvoor is het merk Jeanne Devos ondertussen te bekend.”
Na een tijdje gewerkt te hebben met gehandicapten en dorpsontwikkeling kreeg je begin jaren ’80 een sterke voorkeur voor vrouwen, waarom die toespitsing?
“Omdat vrouwen een cruciale rol spelen in ontwikkeling. En ook omdat ze op zo’n massale manier worden geëxploiteerd. Mijn interesse ging uit naar de meest uitgebuite van allemaal: de sekswerkers en het alomtegenwoordige huispersoneel waarin ik me al snel begon te specialiseren omdat ze zo’n
totaal onderbelichte en verborgen groep vormen.”
Wat is er zo specifiek aan hun situatie?
“Ze hebben geen enkele mogelijkheid iets te doen met hun ervaringen. Die worden enkel vanuit het perspectief van de werkgever geïnterpreteerd. Ik wilde hen een eigen stem geven. Ze toelaten hun eigen verhaal te vertellen. Eerste probleem is dat hun eigenwaarde vernietigd is: hun ‘wij zijn goed voor niets houding.’ En verder: hun totaal gebrek aan rechten; in de media worden ze voorgesteld als belachelijk, dom en simpel. Ook kunnen ze zich niet organiseren, er bestaat geen vakbond voor hen.”
Was het eenvoudig om zich met deze relatief onbekende problematiek in te laten? “Er was veel tegenstand: ik kreeg allerlei bedreigingen, je werkt tenslotte alle machtigen tegen, iedereen die het zich kan veroorloven heeft huispersoneel. Gelukkig geloofde mijn congregatie in mij en ook bij Broederlijk Delen vond ik van in het begin steun. Na een tijdje zegden ook Indiase mensenrechten advocaten hun steun toe. Ondertussen hebben we 11 wetsvoorstellen kunnen indienen in het parlement. In één van de eerste voorstellen uit 1989 worden een aantal basisrechten opgesomd. Nadat het in vier staten werd voorgesteld is het aangenomen in Tamil Nadu. In Mumbai werd het eveneens aangenomen maar lieten tegenstanders alle cijfers eruit halen. Zo overleefde het voorgestelde minimumloon de tegenkanting niet. Wél, en dat was nieuw, werd het bestaan van huisarbeiders erkend.”
Jullie staan niet helemaal alleen met dat werk, mogen we hopen? ”Wij lanceren de wet mee, maar het lobbywerk wordt gedaan door specialisten. Van de wetsvoorstellen zijn er twee gedaan op nationaal niveau. Maar India is sterk gefederaliseerd. De anderen zijn op staatsniveau ingediend.
In de media hebben we onderhand wel 2 à 3 journalisten op onze hand in elke grote krant. Als er iets gebeurd, een verkrachting of een dood van een huisarbeidster, dan slagen we erin om dat in de media te krijgen.
Er zijn ook dievenbendes die misbruik maken van het statuut van huispersoneel. Ze melden zich aan als werker, winnen het vertrouwen van de eigenaar en bestelen en vermoorden dan iedereen. Wij helpen mee deze bendes te ontmaskeren en het publiek ervoor te waarschuwen via de pers.”
“We hebben ook een nationale campagne opgezet tegen vrouwenhandel. Zo zijn er zogenaamde ‘handelaars’ die naar de dorpen gaan en die meisjes kopen om ze in de stad weer te verkopen. Luisteren naar de vrouwen is belangrijk: hun verhalen zijn de realiteit. En daarmee gaan we aan de slag. Zo hebben we voor één wetsvoorstel bijna 1 miljoen handtekeningen kunnen verzamelen, meestal duimafdrukken want weinigen kunnen schrijven.”
Moet je nu, na al die jaren, nog oppassen voor je eigen veiligheid? “De Indiase ambassade in België pluist de Belgische pers sterk uit: als ze iets vinden dat tegen de regering ingaat, staan ze heel snel hier en kunnen ze het me knap lastig maken om nog campagne te voeren. Maar mij persoonlijk raken, neen. Daarvoor is het merk Jeanne Devos ondertussen te bekend.”
dinsdag, oktober 14, 2003
Dick Oosting: “vroeger was Amnesty een afstandelijke organisatie”
Stevig verankerd zijn in Europa is uiterst belangrijk
Dick Oosting is niet de eerste de beste. Ooit stond hij mee aan de basis van de Urgent Actions van Amnesty International. Sindsdien heeft hij zowat alle watertjes doorzwommen bij Amnesty. Hij is één van de weinigen die sinds 1973 professioneel actief zijn in de beweging. Nu is hij sinds enkele jaren directeur van het Europese kantoor van AI. Wij hadden een gesprek met deze bevoorrechte getuige, over dertig jaar Amnesty en over de Europese boom.
Dick Oosting is niet de eerste de beste. Ooit stond hij mee aan de basis van de Urgent Actions van Amnesty International. Sindsdien heeft hij zowat alle watertjes doorzwommen bij Amnesty. Hij is één van de weinigen die sinds 1973 professioneel actief zijn in de beweging. Nu is hij sinds enkele jaren directeur van het Europese kantoor van AI. Wij hadden een gesprek met deze bevoorrechte getuige, over dertig jaar Amnesty en over de Europese boom.
Je hebt een indrukwekkende carrière achter de rug bij Amnesty. Wat waren voor jou de belangrijkste gebeurtenissen?
“1973 was getekend door de eerste grote anti-martelcampagne. De campagne was enorm succesvol en binnen het IS werd er een aparte afdeling opgericht: de CAT of ‘campagne voor de afschaffing van martelingen.’ De belangrijkste vraag was toen: hoe kunnen we effectief actie voeren tegen dreigende marteling? We schrijven begin 1974, ik was net begonnen op het IS. Ik had twee jaar achter de rug bij een jonge Nederlandse sectie waar ik vluchtelingenwerk deed. In Londen werd ik stafvertegenwoordiger in het internationaal bestuur voor de campagnedienst. Midden ’74 hebben we dan het model van de Urgent Action bedacht. Aanleiding was een jonge Braziliaanse intellectueel die door het toenmalige régime in Brazilia zonder vorm van proces werd aangehouden omdat hij zijn mening te openlijk had geventileerd. Die eerste actie had een geweldig succes en lag mee aan de basis van de uitzonderlijke groei die Amnesty meemaakte en op de wereldkaart zette. Toen ik in 1977 plaatsvervangend secretaris-generaal werd, barstte de hele organisatie uit zijn voegen. In de vijf jaar die daarop volgde hebben we het IS sterk uitgebouwd. Wanneer mijn carrière in ’82 een andere (rustigere) wending nam was ik er echt aan toe. Amnesty zou ik pas terug zien in 1999 toen men voor de EU een nieuwe directeur zocht.”
Is Amnesty op die dertig jaar dichter bij zijn doelstellingen gekomen?
“De eigenlijke doelstelling: respect voor mensenrechten overal ingang doen vinden? Neen. Maar mensenrechten hebben wel een onwrikbare plaats verworven op de internationale agenda. En wat aan wetgeving ontwikkeld is, is fenomenaal. Mensenrechten zijn een verworvenheid geworden. Alleen schort het natuurlijk aan uitvoering. Momenteel is de mensenrechtenbeweging zoekende naar een nieuwe rol, maar Amnesty’s invloed blijft heel noodzakelijk en relevant!”
Begin jaren ’80 stond je mee aan de basis van de EU-afdeling: een moeilijke start?
“Europa was een economische woestijn tot de Lomé-conventies werden afgesloten, wat nu de Cotonou akkoorden heet. Met deze akkoorden kreeg Europa eindelijk een ontwikkelingsbeleid. Wij wilden lobbywerk verrichten naar het Europees parlement om aan die akkoorden een luik mensenrechten te verbinden. Die eerste jaren had Amnesty hier een éénmanspost. Het is pas begin jaren ’90 dat mensenrechten veel belangrijker zijn geworden voor de EU en de afdeling werd uitgebreid tot 3 mensen. De omslag kwam niet van het Internationaal Secretariaat maar van de Europese secties: zij wilden een meer rechtstreekse link met Brussel als hart van de Europese instellingen.”
Hoe zou je jullie relatie met het IS dan omschrijven?
“Amnesty is een heel centralistisch geleide organisatie met een krachtig centrum: het IS. Alle research en beleid kwam van Londen. Door de oprichting van de Amnesty EU associatie ontstond defacto een buitenpost van het IS. Daarmee werd een soort taboe doorbroken, het ging nl. tegen de centralistische cultuur in. Toen ik hier zelf kwam werken zag ik dat Europa een belangrijke actor was geworden en dus een heel belangrijk strategisch doel voor een grote mensenrechtenorganisatie. Londen had echter niets met de EU. Je zou het een geluk bij een ongeluk kunnen noemen: onze kleine organisatie kon zich ontwikkelen los van het IS. Als je de EU wil benaderen dan is het goed om toegesneden informatie te hebben. Maar wij zijn generalisten. Dus daarvoor moesten we terug in Londen zijn. Ondertussen beginnen ze ons te ontdekken en komen de researchers regelmatig naar ons toe als ze denken dat Europa benaderen kan helpen met hun dossiers.”
Is Europa wel efficiënt te benaderen?
“Europa heeft betrekkingen met heel de wereld. Het potentieel om mensenrechten te belijden is erg groot. Maar met de Europese integratie is er het risico dat we volledig overladen worden door werk. We zijn nu met 7 mensen, er is genoeg werk voor 70… Om de Unie goed te bespelen moet je verdomd goed weten wat, waar en wanneer gebeurt. Geen eenvoudige opdracht in de enorme bureaucratie die Europa is. Je moet ook een betrouwbaar profiel ontwikkelen om over een ruime onderhandelingsmarge te beschikken. Om dat te kunnen hebben we een heel netwerk van lobbyisten opgezet in samenwerking met de landelijke kantoren. Want net zoals de Europese instellingen moet je sterk vertegenwoordigd zijn in elke Europese hoofdstad. Wij spreken ondertussen van de ‘Johanson-doctrine,’ (naar de directeur van AI Finland, Frank Johanson, nvdr): binnen de Unie is elk lobbywerk per definitie EU-lobby omdat alle buitenlands beleid gelinkd is aan EU-beleid. Kleine en zelfs grote landen beginnen zich meer en meer achter een gemeenschappelijk beleid te scharen.”
Is de Unie nu meer bezig met mensenrechten?
“Dat is een moeilijke vraag. De grootste vraag is steeds geweest hoe we de nieuwe waardengemeenschap Europa gaan invullen. Amnesty heeft steeds hard gelobbyd om die ook in de praktijk te brengen met beleidsinstrumenten. Eén duidelijk succesverhaal zijn de “richtlijnen tegen martelingen.” Toen Amnesty drie jaar geleden zijn wereldwijde campagne tegen martelen opzette, hebben wij een speciale EU-strategie ontwikkeld: een aantal praktische maatregelen die de EU zou kunnen nemen tegen martelingen en de doodstraf. Een half jaar later nam de raad de richtlijnen aan. Het is een mensenrechtenclausule die staat in elk verdrag dat de Unie uitgeeft. Ze vormt een sterk sanctie-element al schort het nog vaak aan toepassing wanneer de veiligheids- en economische belangen van de lidstaten in het gedrang komen.
Ook wordt er op vele manieren samengewerkt met de administraties: de publieke rapporten van het IS gaan automatisch naar de officiële instanties in Brussel, zowel in de Raad als de Commissie. Zelf volgen we natuurlijk ook de Europese agenda, wat een heel arbeidsintensief proces is maar het laat ons toe te bepalen waar en wanneer extra lobbywerk nodig is. Een aantal agendapunten bepalen we zelf. Als Amnesty een grote actie gaat voeren dan vertalen wij die naar de EU. Als AI bijvoorbeeld een rapport uitbrengt over Tunesië terwijl de EU met dat land onderhandeld over een associatieakkoord, dan zullen wij het IS vragen zijn timing aan te passen. Op die manier krijgen we een soort makelaarsfunctie tussen het IS, de secties en de realiteit van de Europese instellingen.”
De afgelopen 10 à 20 jaar kwam er een hele dynamiek op gang in de mensenrechtenbeweging. Hoe gaan jullie daar mee om?
“Er kwam inderdaad een explosie van mensenrechten organisaties en die gingen elkaar steeds meer vinden. Bovendien wordt ook steeds meer de link gemaakt met ontwikkelingssamenwerking, sociale doelen en milieu. Dat maakt dat de hele civiele samenleving straks sterker dan ooit zal kunnen opereren. Vroeger was Amnesty een afstandelijke organisatie. Die tijd is voorbij. Je kunt niet meer soloslim opereren: vele zaken hebben bredere implicaties. Stevig verankerd zijn in het Europese weefsel is uitermate belangrijk.”
vrijdag, april 25, 2003
De VS in Irak: de ene oorlogsmisdaad na de andere - Vlaamse dokter getuigt
Dokter Harrie Dewitte is een gedreven man. Maar een avonturier is hij niet, zegt hij. Toch trok hij naar Bagdad om in het heetst van de strijd hulp te bieden aan een geterroriseerde bevolking én om getuige te zijn van het vuile spel dat de oorlog is. Het was allemaal nog veel erger dan verwacht. Amnesty sprak met deze bevoorrechte getuige.
Was u voorbereid op wat ging komen?
“In mijn hoofd speelden drie begrippen waar we maanden aan één stuk mee rond de oren werden geslagen. Ten eerste massavernietigingswapens, ze zullen die nu toch wel eens gaan vinden? Tenslotte was dat de hoofdreden voor die hele aanval. Ten tweede: de strijd tegen terreur. En ten derde: clean war. Welnu, elk van die begrippen kregen tijdens mijn verblijf in Irak een totaal andere inhoud.”
Welke betekenis kregen ze dan?
“Het begon al bij de reis. We vlogen op Damascus en vonden een taxi die ons de hele 900 kilometer naar Bagdad wilde brengen. Ondanks de wegblokkades aan de grens en de oprukkende oorlog en het gevaar van gewelddadige milities. Hij bracht er ons allemaal zonder kleerscheuren voorbij. Maar pas bij het naderen van de hoofdstad voelden we ons gevoel voor verhoudingen écht aangesproken. Het was een laatste stuk van 7 kilometer voor de grenzen van de stad. De bombardementen waren hier kortgeleden overheen geraasd. Langs en op de weg stonden de uitgebrande tanks van het Irakese leger. Hun luchtafweergeschut bestond uit manuele geschutskoepels. Je moet je voorstellen dat soldaten door aan een wieltje te draaien hun vuurmond op het doelwit richtten. Met hun geschut konden ze hoogstens 5 à 7 kilometer hoog schieten terwijl de Amerikaanse vliegtuigen bombarderen van op 10 à 15 kilometer hoogte. Vergeleken bij de satellietgeleide en computergestuurde reuzetanks van de tegenstanders zagen de Irakese rupsvoertuigen er klein en verouderd uit. Waar waren de zogenaamde massavernietingswapens?”
En toen moest het nog beginnen. Wat waren de zwaarste momenten?
“Onze ergste dag was toen de stad werd ingenomen. We bevonden ons in het Saddam Centre for Plastic Surgery. Dat was omgebouwd tot noodhospitaal met allemaal bedden en materiaal voor de eerste opvang van gewonden. Ik had grote bewondering voor de motivatie van de lokale artsen. Die zouden een comfortabel en goed betaalde loopbaan kunnen genieten in de golfstaten, maar neen, het was hun plicht om hun volk bij te staan in hun ergste nood. Een primair humanitaire reflex.
Om 13 uur staken de Amerikaanse tanks de Tigris over. We hoorden de granaten in hoog tempo vliegen. Tien minuten later kwamen de eerste gewonden, allen burgers, binnen stromen. Hun verhalen klonken steeds eender: de mensen zagen de tanks en onmiddellijk volgde een regen van kogels en granaten. De slachtoffers kwamen toe bij bosjes, op stootkarren, gedragen door totaal ontredderde familieleden of toevallige voorbijgangers die zelf gewond waren. Op dat ogenblik begreep ik wat het begrip “clean war” echt betekende: een oorlog zonder getuigen - ze schieten eenvoudig de straat schoon.”
“We are still human beeings.”
Hebben jullie de Amerikaanse soldaten geconfronteerd met jullie getuigenissen?
“De tweede shock kwam niet veel later. We hoorden de aanhoudende sirene van een ambulance buiten. Het splinternieuwe voertuig was letterlijk doorzeefd. Achterin lagen twee zieltogende slachtoffers, de verpleger was getroffen in de rug, hij kon enkel gered worden na een operatie van 7 à 8 uur. Voor de bestuurder was het te laat. Ondanks hun duidelijk medische missie waren ze onder vuur genomen door een Amerikaanse patrouille.
Op dat ogenblik knakte er iets bij onze medisch directeur: ik zie hem nog neerzakken op een stoel. Al dagen was de man in de weer, in verschrikkelijke omstandigheden zijn ziekenhuis recht trachten te houden. Het enige wat hij zei: “we are still human beeings.” Wanneer we de Amerikaanse soldaten later confronteerden met het gebeurde, hadden ze het over zelfmoordcommando’s. En dit was geen alleenstaand geval. Er werden nog verschillende andere ambulances onder vuur genomen. We hebben van alle verklaringen video-opnamen gemaakt, ook de kogelgaten en de slachtoffers zijn gefotografeerd – we zullen dan ook klacht neerleggen tegen generaal Franks.”
Iedereen verbaasde zich hier over de plunderingen. Hoe hebt u dat meegemaakt?
“Het was de derde shock van die dag. De plunderaars waren net als een bende wolven. Als we niet zo verontwaardigd waren geweest dan had het feit ons heel bevreemdend voorgekomen. De meute kwamen in het zog van de zogenaamde bevrijders. Alle controle leek verdwenen te zijn. Alles waar ze langs kwamen moest eraan geloven. Officiële gebouwen, ziekenhuizen, ze vernielden grondig. Het Saddam Centre for Plastic Surgery was één van de weinige ziekenhuizen die aan de plundering ontsnapte, niet zozeer omwille van de twee dokters die aan de poort stonden met kalashnikovs, maar eerder omdat Reuters, die er een gewonde journalist had liggen, de Amerikanen kon overtuigen om dat ziekenhuis te beschermen. Daarop was één jeep en twee soldaten voldoende om de wolven buiten te houden. Merkwaardig toch.
De volgende dag probeerden we de discussie aan te gaan met een deel van de bende die het ultramoderne fertility-center binnen viel. Maar het hielp allemaal niets. Kabels werden uitgetrokken, toetsenborden meegenomen. Er stond een nieuwe NMR-scanner, een toestel dat miljoenen kost en dat ze in de komende weken nog hard zouden nodig hebben. Ik zag hoe ze met de monitor aan de haal gingen, onbruikbaar voor andere doeleinden. De zinloosheid!”
Zoals u het beschrijft lijkt het haast opgezet spel…
“Enige dagen later hebben we kennis gemaakt met een Irakese zakenman. Hij had afdelingen van zijn bedrijf in alle delen van het land. Volgens hem waren de plunderaars in Bagdad dezelfden als in Basra en spraken ze een dialect dat niet van de hoofdstad was. Hoe verklaar je dat?”
De methoden waarvan de Verenigde Staten zich bedienden… je voelt op je sokken aan dat de Conventie van Génève hier met zachte dwang aan de kant werd geschoven.
“Aan de kant geschoven? Hier werd de ene oorlogsmisdaad na de andere gepleegd! We hebben het over het bombarderen van burgerdoelwitten, het gebruik van clusterbommen en het inzetten van nieuwe massavernietigingswapens. Want niet alleen werd er volop op burgers geschoten, ze maakten daarbij gebruik van bijzonder vernietigend wapentuig zoals een soort kleine bommen die uiteenspatten in honderden scherpe stukjes metaal. Zo kreeg ik een man onder ogen die zo’n stuk metaal in zijn hoofd had gekregen. Ondertussen hadden we geen anesthesie meer, geen elektriciteit, zelfs geen water. Ik kon niets meer doen dan een lichte pijnstiller geven. De man is 24 uur later bezweken aan niets anders dan ondraaglijke pijn. Niet lang ervoor was “medical city” geplunderd, een verdeelcentrum van bloed, plasma, medisch materiaal. Het ging ieders verstand te boven. Nog andere misdaden: het schieten op ziekenwagens en het verhinderen van medische zorgverlening.”
Welk gevoel houdt u aan dit conflict over?
“Wat ons die dagen overeind hield was pure kwaadheid. Dit was allemaal gepland. Heel deze gigantische oorlogsmachine die overal, en op elk moment kon toeslaan, het vernietigen van de nutsvoorzieningen, de plunderingen… alles om mensen het gevoel te geven dat ze nergens nog veilig waren, dat elk verzet tegen de supermacht nutteloos was. Deze ervaringen grijpen diep in het weefsel van elke dokter die getuige is.”
Was u voorbereid op wat ging komen?
“In mijn hoofd speelden drie begrippen waar we maanden aan één stuk mee rond de oren werden geslagen. Ten eerste massavernietigingswapens, ze zullen die nu toch wel eens gaan vinden? Tenslotte was dat de hoofdreden voor die hele aanval. Ten tweede: de strijd tegen terreur. En ten derde: clean war. Welnu, elk van die begrippen kregen tijdens mijn verblijf in Irak een totaal andere inhoud.”
Welke betekenis kregen ze dan?
“Het begon al bij de reis. We vlogen op Damascus en vonden een taxi die ons de hele 900 kilometer naar Bagdad wilde brengen. Ondanks de wegblokkades aan de grens en de oprukkende oorlog en het gevaar van gewelddadige milities. Hij bracht er ons allemaal zonder kleerscheuren voorbij. Maar pas bij het naderen van de hoofdstad voelden we ons gevoel voor verhoudingen écht aangesproken. Het was een laatste stuk van 7 kilometer voor de grenzen van de stad. De bombardementen waren hier kortgeleden overheen geraasd. Langs en op de weg stonden de uitgebrande tanks van het Irakese leger. Hun luchtafweergeschut bestond uit manuele geschutskoepels. Je moet je voorstellen dat soldaten door aan een wieltje te draaien hun vuurmond op het doelwit richtten. Met hun geschut konden ze hoogstens 5 à 7 kilometer hoog schieten terwijl de Amerikaanse vliegtuigen bombarderen van op 10 à 15 kilometer hoogte. Vergeleken bij de satellietgeleide en computergestuurde reuzetanks van de tegenstanders zagen de Irakese rupsvoertuigen er klein en verouderd uit. Waar waren de zogenaamde massavernietingswapens?”
En toen moest het nog beginnen. Wat waren de zwaarste momenten?
“Onze ergste dag was toen de stad werd ingenomen. We bevonden ons in het Saddam Centre for Plastic Surgery. Dat was omgebouwd tot noodhospitaal met allemaal bedden en materiaal voor de eerste opvang van gewonden. Ik had grote bewondering voor de motivatie van de lokale artsen. Die zouden een comfortabel en goed betaalde loopbaan kunnen genieten in de golfstaten, maar neen, het was hun plicht om hun volk bij te staan in hun ergste nood. Een primair humanitaire reflex.
Om 13 uur staken de Amerikaanse tanks de Tigris over. We hoorden de granaten in hoog tempo vliegen. Tien minuten later kwamen de eerste gewonden, allen burgers, binnen stromen. Hun verhalen klonken steeds eender: de mensen zagen de tanks en onmiddellijk volgde een regen van kogels en granaten. De slachtoffers kwamen toe bij bosjes, op stootkarren, gedragen door totaal ontredderde familieleden of toevallige voorbijgangers die zelf gewond waren. Op dat ogenblik begreep ik wat het begrip “clean war” echt betekende: een oorlog zonder getuigen - ze schieten eenvoudig de straat schoon.”
“We are still human beeings.”
Hebben jullie de Amerikaanse soldaten geconfronteerd met jullie getuigenissen?
“De tweede shock kwam niet veel later. We hoorden de aanhoudende sirene van een ambulance buiten. Het splinternieuwe voertuig was letterlijk doorzeefd. Achterin lagen twee zieltogende slachtoffers, de verpleger was getroffen in de rug, hij kon enkel gered worden na een operatie van 7 à 8 uur. Voor de bestuurder was het te laat. Ondanks hun duidelijk medische missie waren ze onder vuur genomen door een Amerikaanse patrouille.
Op dat ogenblik knakte er iets bij onze medisch directeur: ik zie hem nog neerzakken op een stoel. Al dagen was de man in de weer, in verschrikkelijke omstandigheden zijn ziekenhuis recht trachten te houden. Het enige wat hij zei: “we are still human beeings.” Wanneer we de Amerikaanse soldaten later confronteerden met het gebeurde, hadden ze het over zelfmoordcommando’s. En dit was geen alleenstaand geval. Er werden nog verschillende andere ambulances onder vuur genomen. We hebben van alle verklaringen video-opnamen gemaakt, ook de kogelgaten en de slachtoffers zijn gefotografeerd – we zullen dan ook klacht neerleggen tegen generaal Franks.”
Iedereen verbaasde zich hier over de plunderingen. Hoe hebt u dat meegemaakt?
“Het was de derde shock van die dag. De plunderaars waren net als een bende wolven. Als we niet zo verontwaardigd waren geweest dan had het feit ons heel bevreemdend voorgekomen. De meute kwamen in het zog van de zogenaamde bevrijders. Alle controle leek verdwenen te zijn. Alles waar ze langs kwamen moest eraan geloven. Officiële gebouwen, ziekenhuizen, ze vernielden grondig. Het Saddam Centre for Plastic Surgery was één van de weinige ziekenhuizen die aan de plundering ontsnapte, niet zozeer omwille van de twee dokters die aan de poort stonden met kalashnikovs, maar eerder omdat Reuters, die er een gewonde journalist had liggen, de Amerikanen kon overtuigen om dat ziekenhuis te beschermen. Daarop was één jeep en twee soldaten voldoende om de wolven buiten te houden. Merkwaardig toch.
De volgende dag probeerden we de discussie aan te gaan met een deel van de bende die het ultramoderne fertility-center binnen viel. Maar het hielp allemaal niets. Kabels werden uitgetrokken, toetsenborden meegenomen. Er stond een nieuwe NMR-scanner, een toestel dat miljoenen kost en dat ze in de komende weken nog hard zouden nodig hebben. Ik zag hoe ze met de monitor aan de haal gingen, onbruikbaar voor andere doeleinden. De zinloosheid!”
Zoals u het beschrijft lijkt het haast opgezet spel…
“Enige dagen later hebben we kennis gemaakt met een Irakese zakenman. Hij had afdelingen van zijn bedrijf in alle delen van het land. Volgens hem waren de plunderaars in Bagdad dezelfden als in Basra en spraken ze een dialect dat niet van de hoofdstad was. Hoe verklaar je dat?”
De methoden waarvan de Verenigde Staten zich bedienden… je voelt op je sokken aan dat de Conventie van Génève hier met zachte dwang aan de kant werd geschoven.
“Aan de kant geschoven? Hier werd de ene oorlogsmisdaad na de andere gepleegd! We hebben het over het bombarderen van burgerdoelwitten, het gebruik van clusterbommen en het inzetten van nieuwe massavernietigingswapens. Want niet alleen werd er volop op burgers geschoten, ze maakten daarbij gebruik van bijzonder vernietigend wapentuig zoals een soort kleine bommen die uiteenspatten in honderden scherpe stukjes metaal. Zo kreeg ik een man onder ogen die zo’n stuk metaal in zijn hoofd had gekregen. Ondertussen hadden we geen anesthesie meer, geen elektriciteit, zelfs geen water. Ik kon niets meer doen dan een lichte pijnstiller geven. De man is 24 uur later bezweken aan niets anders dan ondraaglijke pijn. Niet lang ervoor was “medical city” geplunderd, een verdeelcentrum van bloed, plasma, medisch materiaal. Het ging ieders verstand te boven. Nog andere misdaden: het schieten op ziekenwagens en het verhinderen van medische zorgverlening.”
Welk gevoel houdt u aan dit conflict over?
“Wat ons die dagen overeind hield was pure kwaadheid. Dit was allemaal gepland. Heel deze gigantische oorlogsmachine die overal, en op elk moment kon toeslaan, het vernietigen van de nutsvoorzieningen, de plunderingen… alles om mensen het gevoel te geven dat ze nergens nog veilig waren, dat elk verzet tegen de supermacht nutteloos was. Deze ervaringen grijpen diep in het weefsel van elke dokter die getuige is.”
maandag, april 14, 2003
[Column] Kind in tijden van oorlog
Kind, mijn kind, hoeveel kan een ouder van je houden? Je strekt je vrijgevochten armpjes uit in de lege witte ruimte. Nauwelijks bekomen van je reis uit het ongewisse beland je in het ongerijmde van een grenzeloze wereld waar problemen worden opgelost door geweld. Congo, Tsjetsjenië, Colombia, het houdt niet op. Terwijl jij je eerste oogopslagen werpt heeft het keizerrijk zijn zevenmijlslaarzen aangetrokken en is over Irak gaan heen staan. Het draagt een veel te wijde jas en zingt de valse loftrompet van de rechtvaardigheid.
In de krant verhalen over overvolle ziekenhuizen, op internet circuleren bloederige foto’s van uiteengereten lichamen, van kinderen die al hun ledematen én hun ouders verloren. Een bom die inslaat op het hotel waar de hele internationale media haar basis heeft, balans: drie doden. Geruchten over doorgestoken kaart steken onvermijdelijk de kop op. Niemand is verbaasd.
Op datzelfde moment brengen zogenaamde ‘embedded journalists’ verslag vanachter de schutskoepel boven op een oprukkende tank. Ze hanteren een absurd jargon dat alle realiteitszin verloren heeft en lijken hun rol als vaandeldragers van de oorlogsmachine volledig geassimileerd te hebben.
Hoe leg je het uit? Tja, hoe legden mijn ouders het uit, eind jaren 60? Toen was die dezelfde oorlogsmachine elders massagraven aan het delven. De Amerikaanse oorlog in Vietnam was reeds verschillende jaren achter de rug toen mijn ontluikend historisch bewustzijn de puzzelstukjes bij elkaar begon te zoeken. Neen, wij dachten niet de laatsten te zijn die hun levensweg zouden moeten starten in tijden van slagveld. De waan van de maakbaarheid was niet meer aan ons besteed. Was er sinds Vietnam niet een dozijn andere oorlogen geweest? En toch leeft altijd de hoop…
Kind, oh kind, jij onvolgroeid wezen uit Utopia, je hebt ons zoveel te leren. Jou hulpeloosheid mag symbool staan voor de collectieve onkunde van een internationale gemeenschap. Kunnen we je verbergen voor deze waanzin?
In de krant verhalen over overvolle ziekenhuizen, op internet circuleren bloederige foto’s van uiteengereten lichamen, van kinderen die al hun ledematen én hun ouders verloren. Een bom die inslaat op het hotel waar de hele internationale media haar basis heeft, balans: drie doden. Geruchten over doorgestoken kaart steken onvermijdelijk de kop op. Niemand is verbaasd.
Op datzelfde moment brengen zogenaamde ‘embedded journalists’ verslag vanachter de schutskoepel boven op een oprukkende tank. Ze hanteren een absurd jargon dat alle realiteitszin verloren heeft en lijken hun rol als vaandeldragers van de oorlogsmachine volledig geassimileerd te hebben.
Hoe leg je het uit? Tja, hoe legden mijn ouders het uit, eind jaren 60? Toen was die dezelfde oorlogsmachine elders massagraven aan het delven. De Amerikaanse oorlog in Vietnam was reeds verschillende jaren achter de rug toen mijn ontluikend historisch bewustzijn de puzzelstukjes bij elkaar begon te zoeken. Neen, wij dachten niet de laatsten te zijn die hun levensweg zouden moeten starten in tijden van slagveld. De waan van de maakbaarheid was niet meer aan ons besteed. Was er sinds Vietnam niet een dozijn andere oorlogen geweest? En toch leeft altijd de hoop…
Kind, oh kind, jij onvolgroeid wezen uit Utopia, je hebt ons zoveel te leren. Jou hulpeloosheid mag symbool staan voor de collectieve onkunde van een internationale gemeenschap. Kunnen we je verbergen voor deze waanzin?
vrijdag, april 11, 2003
Recht op water bestaat nog steeds niet - Consensus over aanpak groeit bij activisten
Water, weinig gaven van de natuur zijn zo fundamenteel voor het menselijk bestaan. Je zou dan ook denken dat de toegang tot het ‘blauwe goud’ stevig gebeiteld is in de internationale wetgeving. Maar dat is niet zo. Het Recht op Water bestaat eigenlijk nog steeds niet. Wel zijn er enkele aanzetten gegeven tot wat ooit een passende wetgeving zou kunnen worden. Er beweegt dan ook heel wat rond deze « problematiek van de toekomst. » Activist op zoek naar een nieuw thema? Enkelen gingen u voor.
[body] Stef Lambrecht, coördinator van de Vlaamse NGO Protos, was erbij op het Wereld Water Forum dat onlangs in Kyoto werd gehouden. Hij was daar als één van de enige Belgen en nam deel aan de NGO-delegatie. Amnesty vroeg aan hem hoe dat nu eigenlijk zit met het Recht op Water. « De commissie van Economisch-Sociaal-Culturele rechten (zie ook Dossier, pagina 14 van dit nummer) van de VN heeft op 27 november 2002 het recht op een minimum hoeveelheid water voor iedereen erkend. Ze verklaart ook dat de overheden de juridische verantwoordelijkheid hebben om dit recht vast te leggen. Helaas is de Commissie slechts een expertencomité dat niet erkend is door de VN zelf en zijn de teksten geen echt juridische basis zoals de UVRM. » Inhoudelijk zijn er ook een aantal fundamentele tekortkomingen ? « Inderdaad. Want hoe definiëren we het recht zo dat het geldt voor iedereen ? Wat zullen de uitvoeringsmechanismen zijn ? Er is ook nood aan sterkere juridische instrumenten. Overigens zien veel staten in het zuiden dit allerminst zitten omdat hen verantwoordelijkheden worden opgedrongen die ze niet kunnen betalen… »
[streamer] Een arm gezin in de krottenwijken van Port-au-Prince geeft 7 à 8 maal meer uit aan water dan in de begoede wijken.
De Commissie erkent dat water een publiek goed is. Er groeit internationaal een consensus hierover. Al heersen in de praktijk nog steeds vaak cowboy principes : toevallige eigenaars claimen het eigendom van het water dat opwelt uit hun grond. Maar de belangrijkste discussies gaan over de uitbatingsrechten van het water. Je hebt immers een installatie nodig om het water bij de mensen te brengen. « Hierover bestaat geen consensus. Volgens ons mag de uitbating gebeuren door privé-actoren maar wel onder duidelijke voorwaarden. Zo moeten de cruciale functies in verband met het beheer van het water in handen zijn van een sterke overheid. We hebben het dan over prijszetting, verdeelsleutels van het water over verschillende gebruikers, controle op operatoren en controle op kwaliteit. In dat verband moet het zelfbeschikkingsrecht van overheden gerespecteerd worden.»
Dat veronderstelt allemaal dat overheden transparant en performant werken. « Er is een grote nood aan capaciteitsopbouw. Ik was zelf de laatste zes maanden op bezoek bij een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en allen klagen ze over een gebrek aan managementstructuur bij de lokale overheden. Vaak kijken ze dan naar privébedrijven om hen daarbij te helpen.»
Alle experts hangen aan de alarmbel. Er wordt al gesproken over een regionale oorlogen met als inzet water. De Verenigde Naties schijnen alle heil te verwachten van bedrijven. Maar activisten en NGO’s allerhande geloven niet in die oplossing? « Anderhalf miljard mensen beschikken vandaag niet over toegang tot proper water. Hier is de privésector gewoon niet geïnteresseerd om te investeren omdat er geen winstmogelijkheden in zitten. In het zuiden zijn het vooral de kernsteden die wel over watertoegang beschikken. Op het platteland is de investeringskost veel hoger maar geraken de mensen meestal wel rechtstreeks aan water, al moeten ze er twee uur voor lopen en is de kwaliteit vaak van bedenkelijke kwaliteit. Problematisch zijn de volks- en krottenwijken rond de steden waar mensen vaak een enorme prijs betalen voor hun water, gewoon door de vele tussenhandelaren die allemaal langs de kassa passeren. Bijvoorbeeld geeft een arm gezin in de krottenwijken van Port-au-Prince 7 à 8 maal meer uit aan water dan in de begoede wijken. » Hoe gaat dat dan in zijn werk ? « Vaak heeft iemand een eigen boorput. Die persoon verkoopt het water aan een eigenaar van een tankwagen welke het brengt naar een reservoir bij de woonwijken. En dan is er een hele reeks aan ambulante verkopers die het water verder verkopen aan de eindgebruikers. Dit hele circuit situeert zich in de informele sector waarover geen enkel functionerend rechtsmechanisme de plak zwaait. »
Is er dan geen enkele manier om het recht op water af te dwingen ? Stef Lambrecht blijft met de voeten op de grond : « Daar zijn we de eerste tien jaar niet aan toe, vrees ik. Eerst moet er duidelijker gespecifieerd worden waarover het gaat. Wat is dat precies : toegang tot water ? Bedoelen we op minder dan twee uur lopen of moet het thuis uit een kraantje komen ? En dan zijn er de verantwoordelijkheden die moeten vastgelegd worden : wij schuiven daarvoor drie principes naar voor : ten eerste dient het beheer van het water zo dicht mogelijk bij de gebruiker te gebeuren door de lokale overheden. Ten tweede dient het beheer georganiseerd te worden binnen hydrografische eenheden zoals stroombekkens of aquafers (ondergrondse zoetwatervoorraden). Tenslotte moet het solidariteitsprincipe gedefinieerd en afdwingbaar gemaakt worden, ook internationaal. Water zelf heeft geen prijs maar wel het aanleggen en onderhouden van installaties die de toegang ertoe moeten verzekeren. »
Hoe ver staat de civiele samenleving met constructieve voorstellen ? « Een genuanceerde discussie is enorm moeilijk. In Kyoto was de kloof duidelijk tussen de vermarktingsgoeroes en het linkse kamp. Toch groeit een consensus dat we ons moeten concentreren op sturingsmechanismen en niet op al dan niet het betrekken van privé-actoren. Cruciale vraag blijft : hoe maak je de operatoren performant – dat is ook de vraag die activisten in het zuiden zich stellen. Daarmee zullen we ook op de officiële dicussieplatformen pogen te wegen.»
[body] Stef Lambrecht, coördinator van de Vlaamse NGO Protos, was erbij op het Wereld Water Forum dat onlangs in Kyoto werd gehouden. Hij was daar als één van de enige Belgen en nam deel aan de NGO-delegatie. Amnesty vroeg aan hem hoe dat nu eigenlijk zit met het Recht op Water. « De commissie van Economisch-Sociaal-Culturele rechten (zie ook Dossier, pagina 14 van dit nummer) van de VN heeft op 27 november 2002 het recht op een minimum hoeveelheid water voor iedereen erkend. Ze verklaart ook dat de overheden de juridische verantwoordelijkheid hebben om dit recht vast te leggen. Helaas is de Commissie slechts een expertencomité dat niet erkend is door de VN zelf en zijn de teksten geen echt juridische basis zoals de UVRM. » Inhoudelijk zijn er ook een aantal fundamentele tekortkomingen ? « Inderdaad. Want hoe definiëren we het recht zo dat het geldt voor iedereen ? Wat zullen de uitvoeringsmechanismen zijn ? Er is ook nood aan sterkere juridische instrumenten. Overigens zien veel staten in het zuiden dit allerminst zitten omdat hen verantwoordelijkheden worden opgedrongen die ze niet kunnen betalen… »
[streamer] Een arm gezin in de krottenwijken van Port-au-Prince geeft 7 à 8 maal meer uit aan water dan in de begoede wijken.
De Commissie erkent dat water een publiek goed is. Er groeit internationaal een consensus hierover. Al heersen in de praktijk nog steeds vaak cowboy principes : toevallige eigenaars claimen het eigendom van het water dat opwelt uit hun grond. Maar de belangrijkste discussies gaan over de uitbatingsrechten van het water. Je hebt immers een installatie nodig om het water bij de mensen te brengen. « Hierover bestaat geen consensus. Volgens ons mag de uitbating gebeuren door privé-actoren maar wel onder duidelijke voorwaarden. Zo moeten de cruciale functies in verband met het beheer van het water in handen zijn van een sterke overheid. We hebben het dan over prijszetting, verdeelsleutels van het water over verschillende gebruikers, controle op operatoren en controle op kwaliteit. In dat verband moet het zelfbeschikkingsrecht van overheden gerespecteerd worden.»
Dat veronderstelt allemaal dat overheden transparant en performant werken. « Er is een grote nood aan capaciteitsopbouw. Ik was zelf de laatste zes maanden op bezoek bij een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, en allen klagen ze over een gebrek aan managementstructuur bij de lokale overheden. Vaak kijken ze dan naar privébedrijven om hen daarbij te helpen.»
Alle experts hangen aan de alarmbel. Er wordt al gesproken over een regionale oorlogen met als inzet water. De Verenigde Naties schijnen alle heil te verwachten van bedrijven. Maar activisten en NGO’s allerhande geloven niet in die oplossing? « Anderhalf miljard mensen beschikken vandaag niet over toegang tot proper water. Hier is de privésector gewoon niet geïnteresseerd om te investeren omdat er geen winstmogelijkheden in zitten. In het zuiden zijn het vooral de kernsteden die wel over watertoegang beschikken. Op het platteland is de investeringskost veel hoger maar geraken de mensen meestal wel rechtstreeks aan water, al moeten ze er twee uur voor lopen en is de kwaliteit vaak van bedenkelijke kwaliteit. Problematisch zijn de volks- en krottenwijken rond de steden waar mensen vaak een enorme prijs betalen voor hun water, gewoon door de vele tussenhandelaren die allemaal langs de kassa passeren. Bijvoorbeeld geeft een arm gezin in de krottenwijken van Port-au-Prince 7 à 8 maal meer uit aan water dan in de begoede wijken. » Hoe gaat dat dan in zijn werk ? « Vaak heeft iemand een eigen boorput. Die persoon verkoopt het water aan een eigenaar van een tankwagen welke het brengt naar een reservoir bij de woonwijken. En dan is er een hele reeks aan ambulante verkopers die het water verder verkopen aan de eindgebruikers. Dit hele circuit situeert zich in de informele sector waarover geen enkel functionerend rechtsmechanisme de plak zwaait. »
Is er dan geen enkele manier om het recht op water af te dwingen ? Stef Lambrecht blijft met de voeten op de grond : « Daar zijn we de eerste tien jaar niet aan toe, vrees ik. Eerst moet er duidelijker gespecifieerd worden waarover het gaat. Wat is dat precies : toegang tot water ? Bedoelen we op minder dan twee uur lopen of moet het thuis uit een kraantje komen ? En dan zijn er de verantwoordelijkheden die moeten vastgelegd worden : wij schuiven daarvoor drie principes naar voor : ten eerste dient het beheer van het water zo dicht mogelijk bij de gebruiker te gebeuren door de lokale overheden. Ten tweede dient het beheer georganiseerd te worden binnen hydrografische eenheden zoals stroombekkens of aquafers (ondergrondse zoetwatervoorraden). Tenslotte moet het solidariteitsprincipe gedefinieerd en afdwingbaar gemaakt worden, ook internationaal. Water zelf heeft geen prijs maar wel het aanleggen en onderhouden van installaties die de toegang ertoe moeten verzekeren. »
Hoe ver staat de civiele samenleving met constructieve voorstellen ? « Een genuanceerde discussie is enorm moeilijk. In Kyoto was de kloof duidelijk tussen de vermarktingsgoeroes en het linkse kamp. Toch groeit een consensus dat we ons moeten concentreren op sturingsmechanismen en niet op al dan niet het betrekken van privé-actoren. Cruciale vraag blijft : hoe maak je de operatoren performant – dat is ook de vraag die activisten in het zuiden zich stellen. Daarmee zullen we ook op de officiële dicussieplatformen pogen te wegen.»
dinsdag, april 16, 2002
De rechtenbenadering op het voorplan in Porto Alegre: en waar is Amnesty?
Anno 2002 zijn Mensenrechten al een tijdje niet meer het exclusieve terrein van organisaties wiens basisopdracht draait rond het bestrijden van schendingen. Het gaat dan ook niet meer om politieke rechten alleen. Ook Amnesty voelde de tand des tijds aan haar oude mandaat knagen en werkte naarstig aan haar ‘nieuwe opdracht.’ Terwijl wint de ‘rechtenbenadering’ steeds meer veld onder NGO’s en andersglobalisten. Tijdens het tweede Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre was dat wel heel duidelijk.
Een en ander heeft veel te maken met de evolutie van het armoedeconcept tijdens het voorbije decennium. Onder druk van de steeds toenemende kritiek op haar neoliberale beleid introduceerden Wereldbank en IMF in september 1999 ‘armoedebestrijding’ als officiële doelstelling in hun programma’s. Ook overheden, vooral in West-Europa, gingen zich in hun ontwikkelingsbeleid hierop richten. Armoedebestrijding is een kwestie van herverdeling en machtsverwerving, kortom een kwestie van rechten. Naast kwantitatieve criteria spelen kwalitatieve elementen mee die alles te maken hebben met het vergroten van keuzemogelijkheden van mensen. Zo figureerde "versterken van rechten" prominent in het lijstje met basisprincipes voor ontwikkelingssamenwerking van 2001. Onze eigen staatssecretaris Eddy Boutmans nam ze op in zijn beleidsnota.
Ook ontwikkelingsorganisaties en allerhande lobbygroepen uit de derde wereldbeweging zitten op de lijn van de rechtenaanpak. Ze houden zich vooral bezig met Economische, Sociale en Culturele rechten: en daar stootten ze op het werkterrein van de klassieke (grote) mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty. De laatste ICM (International Council Meeting) van Dakar in 2001 werd beheerst door de volgende discussie : houden we het bij de status quo of gaan we onze opdracht veel ruimer zien. Het (voorlopige) einde van die discussie werd een compromis. Vanaf nu zal Amnesty de naleving nastreven van alle mensenrechten, tenminste als het om groepen mensen gaat. Voor individuen zal AI zich enkel met ernstige mensenrechtenschendingen blijven bezig houden. Concreet wil dit zeggen dat alle individuen die het slachtoffer zijn van ernstige schendingen (fysieke en mentale integriteit, gewetensvrijheid en vrijheid van meningsuiting, vrijwaring van discriminatie) door Amnesty in verdediging kunnen genomen worden. Wat groepen betreft, zal Amnesty alle mensenrechtenschendingen aanklagen en vooral meer lobbywerk verrichten. Ook het voeren van promotie voor rechten staat op de agenda. Eventueel zal AI ook ondersteuning bieden aan het protest van anderen. Alvast iedereen die in februari aan het Wereld Sociaal Forum deelnam, voelt op zijn klompen aan dat hier een pak werk klaar ligt.
ESC-rechten. Het klinkt als een patentcode voor economische contracten. Maar wat zijn die economische, sociale en culturele rechten dan precies? De groep bestaat uit: recht op werk, erkenning en billijke vergoeding. Het recht op bescherming op het werk inclusief vakbonds- en stakingsrecht. Recht op sociale rechtvaardigheid en sociale zekerheid, inclusief bescherming van het moederschap, gezondheidsverzekering, pensioenspaarplannen etc. Het recht van toegang tot productiemiddelen: land, kapitaal of krediet, infrastructuur, technologie en werktuigen. Het recht op woon- en levenskwaliteit waaronder voedselzekerheid, toegang tot drinkbaar water en voldoende woongelegenheid. Recht op elementaire gezondheidszorg en de nodige voorwaarden om een gezond leven te leiden, inclusief recht op voortplanting en seksuele rechten. Het recht op onderwijs, beroeps training en begeleiding. Het recht om te participeren en mee te profiteren van wetenschap en onderzoek. En tenslotte het recht om te participeren aan cultuur en kunst, om daar actief in te zijn en erkenning voor te krijgen.
Genoeg voor vele actiegroepen en NGO’s om aan de slag te gaan: voedselzekerheid voor de massa’s stedelijke armen in het zuiden, recht op grond voor landloze boeren, protest tegen de privatisering van waterbronnen…
Rond al deze en nog ontelbare andere topics kwamen activisten en lobbyisten, mensen uit basisbewegingen zowel als experten uit continentale ngo-koepels, samen in Porto Alegre om te debatteren en strategische afspraken te maken. Actiegroepen leerden van elkaar hoe ze actie konden voeren, hoe ze hun campagnethema’s inhoudelijk en juridisch konden onderbouwen met de rechtenbenadering. Ze namen die kennis allen mee naar hun thuisbasis. Vele niet-gouvernementele organisaties uit het zuiden richten nu een belangrijk deel van hun middelen op basisvorming van hun doelgroepen. Ze doen dat vaak met steun van ngo’s uit het rijke westen met wie ze een partnerrelatie hebben. Het is niet altijd de staat die mensenrechten schendt. Vele schendingen van burgerrechten, politieke rechten, maar ook van economische, sociale en culturele rechten spelen zich af op lokaal niveau, binnen het gezin. Vrouwenbesnijdenis is daar slechts één extreem voorbeeld van. Andere voorbeelden zijn: gelijke behandeling van mannen en vrouwen, toegang voor meisjes tot onderwijs, arbeidsomstandigheden, enz. In Porto Alegre was de teneur duidelijk dat het essentieel is om ook op dat microniveau de omgevingsfactoren aan te pakken die leiden tot mensenrechtenschendingen. Informatiedoorstroming is daarin een belangrijke factor.
Kiezen voor een mensenrechtenbenadering van ontwikkeling betekent vooral dat je de kracht en de mogelijkheden van mensen wil versterken om hun rechten te kunnen opeisen. Die visie sijpelt meer en meer door in beleidsdocumenten van bilaterale donoren, maar ook bij multilaterale organisaties, zoals het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP dat in 2000 zijn hele rapport over de menselijke ontwikkeling aan mensenrechten wijdde. Wellicht heeft een mensenrechtenbenadering vooral te maken met het verschuiven van machtsverhoudingen. Dat past perfect onder de grote noemer van duurzame ontwikkeling (nog zo’n buzz-woord in het internationaal ontwikkelingsdenken) want enkel veranderingen die voortvloeien uit de eigen keuzemogelijkheden van partnerlanden en hun bevolking kunnen duurzaam zijn.
.
Een mensenrechtenbenadering van ontwikkeling omvat echter meer dan het steunen van mensenrechtenprojecten, hoe lovenswaardig die op zich ook zijn. Ze vereist dat álle acties aandacht hebben voor het vergroten van de mogelijkheden voor mensen om zelf hun rechten op te eisen, via juridische kanalen of door hun onderhandelingspositie in besluitvormingsprocessen te versterken. Dat vereist dat je als donor inzicht krijgt in het functioneren van de bestaande structuren in het partnerland, of in de kanalen die in internationale instellingen zoals de VN, de Wereldbank of zelfs de WTO beschikbaar zijn om mensenrechten op te eisen. Als de rechtbanken in een land onderbemand zijn en mensenrechten nauwelijks aan bod komen, is het zinvoller om die instellingen te versterken dan om een groep mensen de middelen te geven om juridische acties in te leiden. Als de overheid snoeit in budgetten voor onderwijs ten voordele van militaire uitgaven is het even belangrijk dat mensen zich ervan bewust zijn dat daarmee één van hun basisrechten wordt geschonden, dan dat er via ontwikkelingssamenwerking alternatieve vormen van onderwijs worden opgezet. Want enkel als er voldoende druk komt op de staat om onderwijs te verzekeren, kan dit op een duurzame manier worden georganiseerd.
Aanknopingspunten voor een mensenrechtenbenadering
De 'verplichte' strategienota’s voor de prioritaire partnerlanden en thema’s van de Belgische ontwikkelingssamenwerking bieden een uitstekend aanknopingspunt om een mensenrechtenvisie op ontwikkeling in te bouwen in het beleid. Thema’s als onderwijs, plattelandsontwikkeling en gender sluiten nauw aan bij economische, sociale en culturele rechten. Uit de strategienota’s zal blijken hoe het beleid omgaat met het feit dat mensen recht hebben op de vervulling van hun basisbehoeften. Ze zullen ook tonen hoezeer het partnerland zelf de pen vasthoudt bij het bepalen van de meest geschikte strategie om met het beschikbare budget armoede te bestrijden. Het oprichten of versterken van structuren om de doelstellingen te bereiken die het land vooropstelt, zal de duurzaamheid van de initiatieven bevorderen.
De betrokkenheid van de civiele samenleving bij dit proces toont dan weer aan hoe sterk en open de regering van het partnerland is. Als blijkt dat die openheid ontbreekt, kan België zelf ook contact zoeken met NGO’s, universiteiten, vakbonden en sociale bewegingen en met hun visie rekening houden bij de beleidsbepaling.
Ook voor themastrategienota’s kunnen mensenrechten een leidraad zijn. Een nota voor leefmilieu en duurzame ontwikkeling zal dan bijvoorbeeld aandacht hebben voor de manier waarop ontwikkelingslanden engagementen van de milieuconferentie van Rio kunnen opvolgen en hoe ze zich kunnen voorbereiden op Rio+10. De nota kan verder ook aandacht hebben voor milieuvriendelijke technologieën die derdewereldlanden in staat stellen om zonder meerkost milieuvriendelijk te produceren, maar die vooral ook mensen in staat stellen om – op basis van hun recht op gezondheid en een schoon leefmilieu – vervuilende activiteiten te laten verbieden en een herstel te eisen voor de schade die ze door vervuiling hebben geleden.
Een en ander heeft veel te maken met de evolutie van het armoedeconcept tijdens het voorbije decennium. Onder druk van de steeds toenemende kritiek op haar neoliberale beleid introduceerden Wereldbank en IMF in september 1999 ‘armoedebestrijding’ als officiële doelstelling in hun programma’s. Ook overheden, vooral in West-Europa, gingen zich in hun ontwikkelingsbeleid hierop richten. Armoedebestrijding is een kwestie van herverdeling en machtsverwerving, kortom een kwestie van rechten. Naast kwantitatieve criteria spelen kwalitatieve elementen mee die alles te maken hebben met het vergroten van keuzemogelijkheden van mensen. Zo figureerde "versterken van rechten" prominent in het lijstje met basisprincipes voor ontwikkelingssamenwerking van 2001. Onze eigen staatssecretaris Eddy Boutmans nam ze op in zijn beleidsnota.
Ook ontwikkelingsorganisaties en allerhande lobbygroepen uit de derde wereldbeweging zitten op de lijn van de rechtenaanpak. Ze houden zich vooral bezig met Economische, Sociale en Culturele rechten: en daar stootten ze op het werkterrein van de klassieke (grote) mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty. De laatste ICM (International Council Meeting) van Dakar in 2001 werd beheerst door de volgende discussie : houden we het bij de status quo of gaan we onze opdracht veel ruimer zien. Het (voorlopige) einde van die discussie werd een compromis. Vanaf nu zal Amnesty de naleving nastreven van alle mensenrechten, tenminste als het om groepen mensen gaat. Voor individuen zal AI zich enkel met ernstige mensenrechtenschendingen blijven bezig houden. Concreet wil dit zeggen dat alle individuen die het slachtoffer zijn van ernstige schendingen (fysieke en mentale integriteit, gewetensvrijheid en vrijheid van meningsuiting, vrijwaring van discriminatie) door Amnesty in verdediging kunnen genomen worden. Wat groepen betreft, zal Amnesty alle mensenrechtenschendingen aanklagen en vooral meer lobbywerk verrichten. Ook het voeren van promotie voor rechten staat op de agenda. Eventueel zal AI ook ondersteuning bieden aan het protest van anderen. Alvast iedereen die in februari aan het Wereld Sociaal Forum deelnam, voelt op zijn klompen aan dat hier een pak werk klaar ligt.
ESC-rechten. Het klinkt als een patentcode voor economische contracten. Maar wat zijn die economische, sociale en culturele rechten dan precies? De groep bestaat uit: recht op werk, erkenning en billijke vergoeding. Het recht op bescherming op het werk inclusief vakbonds- en stakingsrecht. Recht op sociale rechtvaardigheid en sociale zekerheid, inclusief bescherming van het moederschap, gezondheidsverzekering, pensioenspaarplannen etc. Het recht van toegang tot productiemiddelen: land, kapitaal of krediet, infrastructuur, technologie en werktuigen. Het recht op woon- en levenskwaliteit waaronder voedselzekerheid, toegang tot drinkbaar water en voldoende woongelegenheid. Recht op elementaire gezondheidszorg en de nodige voorwaarden om een gezond leven te leiden, inclusief recht op voortplanting en seksuele rechten. Het recht op onderwijs, beroeps training en begeleiding. Het recht om te participeren en mee te profiteren van wetenschap en onderzoek. En tenslotte het recht om te participeren aan cultuur en kunst, om daar actief in te zijn en erkenning voor te krijgen.
Genoeg voor vele actiegroepen en NGO’s om aan de slag te gaan: voedselzekerheid voor de massa’s stedelijke armen in het zuiden, recht op grond voor landloze boeren, protest tegen de privatisering van waterbronnen…
Rond al deze en nog ontelbare andere topics kwamen activisten en lobbyisten, mensen uit basisbewegingen zowel als experten uit continentale ngo-koepels, samen in Porto Alegre om te debatteren en strategische afspraken te maken. Actiegroepen leerden van elkaar hoe ze actie konden voeren, hoe ze hun campagnethema’s inhoudelijk en juridisch konden onderbouwen met de rechtenbenadering. Ze namen die kennis allen mee naar hun thuisbasis. Vele niet-gouvernementele organisaties uit het zuiden richten nu een belangrijk deel van hun middelen op basisvorming van hun doelgroepen. Ze doen dat vaak met steun van ngo’s uit het rijke westen met wie ze een partnerrelatie hebben. Het is niet altijd de staat die mensenrechten schendt. Vele schendingen van burgerrechten, politieke rechten, maar ook van economische, sociale en culturele rechten spelen zich af op lokaal niveau, binnen het gezin. Vrouwenbesnijdenis is daar slechts één extreem voorbeeld van. Andere voorbeelden zijn: gelijke behandeling van mannen en vrouwen, toegang voor meisjes tot onderwijs, arbeidsomstandigheden, enz. In Porto Alegre was de teneur duidelijk dat het essentieel is om ook op dat microniveau de omgevingsfactoren aan te pakken die leiden tot mensenrechtenschendingen. Informatiedoorstroming is daarin een belangrijke factor.
Kiezen voor een mensenrechtenbenadering van ontwikkeling betekent vooral dat je de kracht en de mogelijkheden van mensen wil versterken om hun rechten te kunnen opeisen. Die visie sijpelt meer en meer door in beleidsdocumenten van bilaterale donoren, maar ook bij multilaterale organisaties, zoals het VN-ontwikkelingsprogramma UNDP dat in 2000 zijn hele rapport over de menselijke ontwikkeling aan mensenrechten wijdde. Wellicht heeft een mensenrechtenbenadering vooral te maken met het verschuiven van machtsverhoudingen. Dat past perfect onder de grote noemer van duurzame ontwikkeling (nog zo’n buzz-woord in het internationaal ontwikkelingsdenken) want enkel veranderingen die voortvloeien uit de eigen keuzemogelijkheden van partnerlanden en hun bevolking kunnen duurzaam zijn.
.
Een mensenrechtenbenadering van ontwikkeling omvat echter meer dan het steunen van mensenrechtenprojecten, hoe lovenswaardig die op zich ook zijn. Ze vereist dat álle acties aandacht hebben voor het vergroten van de mogelijkheden voor mensen om zelf hun rechten op te eisen, via juridische kanalen of door hun onderhandelingspositie in besluitvormingsprocessen te versterken. Dat vereist dat je als donor inzicht krijgt in het functioneren van de bestaande structuren in het partnerland, of in de kanalen die in internationale instellingen zoals de VN, de Wereldbank of zelfs de WTO beschikbaar zijn om mensenrechten op te eisen. Als de rechtbanken in een land onderbemand zijn en mensenrechten nauwelijks aan bod komen, is het zinvoller om die instellingen te versterken dan om een groep mensen de middelen te geven om juridische acties in te leiden. Als de overheid snoeit in budgetten voor onderwijs ten voordele van militaire uitgaven is het even belangrijk dat mensen zich ervan bewust zijn dat daarmee één van hun basisrechten wordt geschonden, dan dat er via ontwikkelingssamenwerking alternatieve vormen van onderwijs worden opgezet. Want enkel als er voldoende druk komt op de staat om onderwijs te verzekeren, kan dit op een duurzame manier worden georganiseerd.
Aanknopingspunten voor een mensenrechtenbenadering
De 'verplichte' strategienota’s voor de prioritaire partnerlanden en thema’s van de Belgische ontwikkelingssamenwerking bieden een uitstekend aanknopingspunt om een mensenrechtenvisie op ontwikkeling in te bouwen in het beleid. Thema’s als onderwijs, plattelandsontwikkeling en gender sluiten nauw aan bij economische, sociale en culturele rechten. Uit de strategienota’s zal blijken hoe het beleid omgaat met het feit dat mensen recht hebben op de vervulling van hun basisbehoeften. Ze zullen ook tonen hoezeer het partnerland zelf de pen vasthoudt bij het bepalen van de meest geschikte strategie om met het beschikbare budget armoede te bestrijden. Het oprichten of versterken van structuren om de doelstellingen te bereiken die het land vooropstelt, zal de duurzaamheid van de initiatieven bevorderen.
De betrokkenheid van de civiele samenleving bij dit proces toont dan weer aan hoe sterk en open de regering van het partnerland is. Als blijkt dat die openheid ontbreekt, kan België zelf ook contact zoeken met NGO’s, universiteiten, vakbonden en sociale bewegingen en met hun visie rekening houden bij de beleidsbepaling.
Ook voor themastrategienota’s kunnen mensenrechten een leidraad zijn. Een nota voor leefmilieu en duurzame ontwikkeling zal dan bijvoorbeeld aandacht hebben voor de manier waarop ontwikkelingslanden engagementen van de milieuconferentie van Rio kunnen opvolgen en hoe ze zich kunnen voorbereiden op Rio+10. De nota kan verder ook aandacht hebben voor milieuvriendelijke technologieën die derdewereldlanden in staat stellen om zonder meerkost milieuvriendelijk te produceren, maar die vooral ook mensen in staat stellen om – op basis van hun recht op gezondheid en een schoon leefmilieu – vervuilende activiteiten te laten verbieden en een herstel te eisen voor de schade die ze door vervuiling hebben geleden.
maandag, april 15, 2002
[Column] Varkentje
“Het loopt uit de hand,” zegt de ene diplomaat tegen de andere. Waarop de andere enigszins geërgerd zijn krant een halve decimeter laat zakken, “wat loopt er uit de hand? Begin weer niet over de protesten. Dat zootje ongeregeld weet niet waarover het gaat en volgende week is deze poppenkast weer voorbij. De slottekst is toch al geregeld.”
De twee blanke mannen, een Europeaan en een Noord-Amerikaan, zitten in de lobby van een 5-sterren hotel in Monterrey, een stad in het noorden van Mexico. De Europeaan houdt voet bij stuk: “onze ministers voelen de hete adem van de antiglobalisten in hun nek, ze vrezen dat het kiezerspubliek niet zal begrijpen waarom deze conferentie geen nieuw geld oplevert voor de ontwikkelingslanden. Ze denken dat de ontevredenheid zal toenemen.”
“Hoezo, ontevredenheid?” De Noord-Amerikaan, die een aanzienlijk deel van de 800-koppige delegatie diplomaten uit de VS aanvoert, neemt een formele toon aan en declameert: “ons standpunt is en blijft dat financiering van ontwikkeling een fictie is: enkel vrije wereldhandel zal de ontwikkelingslanden vooruit helpen en armoede doen verdwijnen. “Overigens,” voegt hij er zonder zweem van ironie aan toe, “hebben jullie stevig mee gewerkt om deze slottekst goed te keuren…”
Een kleine pauze markeert wat het einde van het gesprek zou kunnen zijn. De Europese diplomaat voelt zich enigszins opgelaten. En alhoewel hij het antwoord van zijn gesprekspartner al kent gooit hij het toch over een andere boeg: “in Europa wint de stelling veld dat armoede een voedingsbodem is voor terrorisme.” Waarop de Noord-Amerikaan fulmineert: “Nonsens! Dat is nog nergens bewezen en bovendien, dat varkentje zal het Pentagon wel wassen. En begin niet met dat gezwets over een Internationaal Tribunaal, want daar doen we niet aan mee.” En na een korte pauze: “ach, laat ze dan wat unilaterale initiatieven nemen, een beetje schuldherschikking hier, wat meer hulp onder bevriende naties daar, het helpt niet maar het staat goed in een perscommuniqué.” Dat laatste zegt hij met haast onverholen minachting, enkel ingehouden door zijn afgemeten diplomatieke etiquette.
De twee vrienden gaan uit elkaar, elk naar hun vergaderingen, de Europeaan met gemengde gevoelens, zijn gesprekspartner met een triomferende glimlach op het gezicht.
De twee blanke mannen, een Europeaan en een Noord-Amerikaan, zitten in de lobby van een 5-sterren hotel in Monterrey, een stad in het noorden van Mexico. De Europeaan houdt voet bij stuk: “onze ministers voelen de hete adem van de antiglobalisten in hun nek, ze vrezen dat het kiezerspubliek niet zal begrijpen waarom deze conferentie geen nieuw geld oplevert voor de ontwikkelingslanden. Ze denken dat de ontevredenheid zal toenemen.”
“Hoezo, ontevredenheid?” De Noord-Amerikaan, die een aanzienlijk deel van de 800-koppige delegatie diplomaten uit de VS aanvoert, neemt een formele toon aan en declameert: “ons standpunt is en blijft dat financiering van ontwikkeling een fictie is: enkel vrije wereldhandel zal de ontwikkelingslanden vooruit helpen en armoede doen verdwijnen. “Overigens,” voegt hij er zonder zweem van ironie aan toe, “hebben jullie stevig mee gewerkt om deze slottekst goed te keuren…”
Een kleine pauze markeert wat het einde van het gesprek zou kunnen zijn. De Europese diplomaat voelt zich enigszins opgelaten. En alhoewel hij het antwoord van zijn gesprekspartner al kent gooit hij het toch over een andere boeg: “in Europa wint de stelling veld dat armoede een voedingsbodem is voor terrorisme.” Waarop de Noord-Amerikaan fulmineert: “Nonsens! Dat is nog nergens bewezen en bovendien, dat varkentje zal het Pentagon wel wassen. En begin niet met dat gezwets over een Internationaal Tribunaal, want daar doen we niet aan mee.” En na een korte pauze: “ach, laat ze dan wat unilaterale initiatieven nemen, een beetje schuldherschikking hier, wat meer hulp onder bevriende naties daar, het helpt niet maar het staat goed in een perscommuniqué.” Dat laatste zegt hij met haast onverholen minachting, enkel ingehouden door zijn afgemeten diplomatieke etiquette.
De twee vrienden gaan uit elkaar, elk naar hun vergaderingen, de Europeaan met gemengde gevoelens, zijn gesprekspartner met een triomferende glimlach op het gezicht.
maandag, januari 14, 2002
Wereld heeft geen nood aan een oorlog tegen het ‘terrorisme'
“De wereld heeft geen nood aan een oorlog tegen het ‘terrorisme,’ de wereld heeft wel nood aan een cultuur van vrede, gebaseerd op mensenrechten en rechtvaardigheid voor iedereen.” Dat zei de secretaris-generaal op 10 december, internationale dag van de Mensenrechten, terwijl ze de symbolische Amnesty kaars aanstak, omringd door Afghaanse kinderen in het vluchtelingenkamp van Jalozai. Van 8 tot 14 december was Irene Khan in Pakistan waar ze een mensenrechtenagenda voor Afghanistan ging bespreken met slachtoffers, vluchtelingen, mensenrechtengroepen en vertegenwoordigers van de overheid en de civiele maatschappij.
Eén van de delegatieleden was Rob Brouwer van Amnesty Nederland. Hij filmde talrijke getuigenissen en noteerde verhalen die niet verteld worden in de media. Verhalen uit de donkere achterkant van ‘the war on terrorism’. Voor Rob Brouwers is de conclusie duidelijk: “De effecten van de bombardementen zijn veel ernstiger dan wat je hoort. De beelden van bombardementen in desolate landschappen verhullen menselijke drama’s. Terwijl de militairen de burgerslachtoffers minimaliseren, doen er onder de vluchtelingen verhalen de ronde van 20 tot 30 doden tijdens één bombardement.”
Eén van de belangrijkste doelstellingen van de missie was het bezoeken van de vluchtelingen in de Pakistaanse kampen en te spreken met de opvangorganisaties. Rob was erbij toen ze de Afghan Women Counsel bezochten. Hun gastvrouw en gids was Nadia Naji, vice-coördinator en zeer energieke woordvoerster van de A.W.C. “Nadia Naji heeft een enorme dossierkennis. Ik heb grote bewondering voor Afghan Women Counsel. Ze zijn zeer goed georganiseerd. Over alle vrouwen die toekomen leggen ze dossiers aan met gegevens van waar ze komen, hoe ze gekomen zijn, met wie, hoe lang ze erover deden. Sinds het begin van de bombardementen zijn er 3500 families geregistreerd, 700 van de vrouwen waren weduwen. Zij hebben het sowieso moeilijker want ze hebben totaal geen inkomen, ook hun zonen zijn vaak dood. Onder de Taliban verloren ze ook al hun kinderen.
De Counsel is gevestigd in Peshawar maar heeft meerdere kantoren in Pakistan en Afghanistan. Ook hebben ze klinieken onder meer in Kaboel waar de vrouwen gratis behandelingen en apotheekvoorlichting kunnen krijgen..
Vreemd genoeg heeft een Noord-Amerikaanse organisatie haar financiering voor hen stopgezet voor de bombardementen begonnen, steun is nochtans broodnodig.
Hoe geraken de vluchtelingen in Pakistan?
“Ook dat zijn hallucinante verhalen. Ze zijn vaak het ganse land doorgereisd – steeds verder op de loop voor de bombardementen. Daarbij zijn ze veelal hals over kop moeten vluchten, het weinige dat ze hadden achterlatend in hun huizen of wat er van overbleef. Vaak gaat het over vrouwen alleen of met kinderen, hun mannen en zoons zijn gedood in de oorlog of hebben het leven gelaten bij de bombardementen. Omdat Pakistan de grenzen heeft gesloten, moeten de vluchtelingen clandestien de grens over, na eerst nachten te hebben gelopen door de bergen. Hun laatste geld gaat op aan de gidsen die hen over de bergpaadjes leiden en corrupte grenswachten.” Uiteindelijk komen de vrouwen, totaal berooid, met letterlijk niets anders meer dan de kleren die ze aan hebben in Pakistan terecht.
Ik heb gesproken met een vrouw die haar benen kwijt was.
“Het zijn hartverscheurende verhalen van levens die nauwelijks dat woord waard zijn. Zo is er Soltaneh, een Pashtun vrouw die bij de Amerikaanse bombardementen haar man en 7 kinderen kwijt raakte. Zij werd gered omdat zij toevallig in een ander kamertje was: de kinderen heeft ze uit elkaar gereten terug gevonden. Ze heeft hen niet kunnen begraven, ze werden zonder kist de grond in gestoken. Drie jaar geleden verloor ze reeds 15 leden van haar familie, toen de Taliban de macht overnamen en alles verwoestten. Niet alleen haar gezin en familie is ze kwijt, al haar bezittingen zijn vernietigd. Zo zijn er vele verhalen.”
We hebben interviews gehad met vrouwen in de urbane gebieden; ze hadden nauwelijks voedsel, ’s nachts moesten ze in de kou op de lemen vloer slapen. Vele mensen zijn al dood gegaan van de kou. In de urbane gebieden wonen mensen vaak samen in bestaande woningen : soms met 11 in één kamertje, ze pakken alle werk aan dat ze kunnen krijgen voor een hongerloontje. Het is de meest abominabele miserie.”
Vele van de vrouwen zijn ziek en depressief. Hun kinderen zijn er ook slecht aan toe, wanneer ze een vliegtuig horen overvliegen, drukken ze hun handen tegen hun oren, beginnen ze te zweten en worden heel angstig. Ook al zijn ze nu veilig in Pakistan, slapen gaat niet, ze zijn allen zwaar getraumatiseerd.”
Over hoeveel mensen gaat het eigenlijk? “Alleen al in het kamp van ‘Jalouzai’ zitten zo’n 80.000 mensen. Sinds de bombardementen zitten er in de omgeving van de stad nog 100.000. Het totaal van de vluchtelingen wordt geschat op 2.000.000.” De kampen van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties zijn iets beter georganiseerd maar ze kunnen het werk niet aan en met duizenden moeten de vluchtelingen huizen onder plastiek zeiltjes. Irene Khan sprak met vele van hen, aanhoorde hun verhalen, stak kaarsen aan. A.I. kan alleen maar op deze manier haar solidariteit betuigen en beroep doen op andere organisaties die de mogelijkheid hebben om rechtstreeks te helpen.
A.I. eist dat er de gedwongen terugkeer wordt afgeschaft, de mensen moeten ook beter opgevangen worden, de delegatie maakte zich onder meer ernstig zorgen over de opvangcapaciteit. Verder is A.I. tegen het gesloten houden van de grenzen en moet de enorme corruptie aan de grens aangepakt worden.
Hierover en over de mensenrechtensituatie in Pakistan zelf ging Irene Khan spreken met president Musharaf en de minister van buitenlandse zaken van Pakistan. Eén positief effect van de gesprekken die Irene Khan had met de bewindslieden is alvast dat er heel wat minderjarigen uit de doodstrafcellen gehaald werden. Rob Brouwers: “meteen na het gesprek werd de missie verzekerd dat jongeren niet meer zullen terechtgesteld worden, wél nog levenslang opgesloten… In november werd nog een 13-jarig jongetje opgehangen.”
Eén van de delegatieleden was Rob Brouwer van Amnesty Nederland. Hij filmde talrijke getuigenissen en noteerde verhalen die niet verteld worden in de media. Verhalen uit de donkere achterkant van ‘the war on terrorism’. Voor Rob Brouwers is de conclusie duidelijk: “De effecten van de bombardementen zijn veel ernstiger dan wat je hoort. De beelden van bombardementen in desolate landschappen verhullen menselijke drama’s. Terwijl de militairen de burgerslachtoffers minimaliseren, doen er onder de vluchtelingen verhalen de ronde van 20 tot 30 doden tijdens één bombardement.”
Eén van de belangrijkste doelstellingen van de missie was het bezoeken van de vluchtelingen in de Pakistaanse kampen en te spreken met de opvangorganisaties. Rob was erbij toen ze de Afghan Women Counsel bezochten. Hun gastvrouw en gids was Nadia Naji, vice-coördinator en zeer energieke woordvoerster van de A.W.C. “Nadia Naji heeft een enorme dossierkennis. Ik heb grote bewondering voor Afghan Women Counsel. Ze zijn zeer goed georganiseerd. Over alle vrouwen die toekomen leggen ze dossiers aan met gegevens van waar ze komen, hoe ze gekomen zijn, met wie, hoe lang ze erover deden. Sinds het begin van de bombardementen zijn er 3500 families geregistreerd, 700 van de vrouwen waren weduwen. Zij hebben het sowieso moeilijker want ze hebben totaal geen inkomen, ook hun zonen zijn vaak dood. Onder de Taliban verloren ze ook al hun kinderen.
De Counsel is gevestigd in Peshawar maar heeft meerdere kantoren in Pakistan en Afghanistan. Ook hebben ze klinieken onder meer in Kaboel waar de vrouwen gratis behandelingen en apotheekvoorlichting kunnen krijgen..
Vreemd genoeg heeft een Noord-Amerikaanse organisatie haar financiering voor hen stopgezet voor de bombardementen begonnen, steun is nochtans broodnodig.
Hoe geraken de vluchtelingen in Pakistan?
“Ook dat zijn hallucinante verhalen. Ze zijn vaak het ganse land doorgereisd – steeds verder op de loop voor de bombardementen. Daarbij zijn ze veelal hals over kop moeten vluchten, het weinige dat ze hadden achterlatend in hun huizen of wat er van overbleef. Vaak gaat het over vrouwen alleen of met kinderen, hun mannen en zoons zijn gedood in de oorlog of hebben het leven gelaten bij de bombardementen. Omdat Pakistan de grenzen heeft gesloten, moeten de vluchtelingen clandestien de grens over, na eerst nachten te hebben gelopen door de bergen. Hun laatste geld gaat op aan de gidsen die hen over de bergpaadjes leiden en corrupte grenswachten.” Uiteindelijk komen de vrouwen, totaal berooid, met letterlijk niets anders meer dan de kleren die ze aan hebben in Pakistan terecht.
Ik heb gesproken met een vrouw die haar benen kwijt was.
“Het zijn hartverscheurende verhalen van levens die nauwelijks dat woord waard zijn. Zo is er Soltaneh, een Pashtun vrouw die bij de Amerikaanse bombardementen haar man en 7 kinderen kwijt raakte. Zij werd gered omdat zij toevallig in een ander kamertje was: de kinderen heeft ze uit elkaar gereten terug gevonden. Ze heeft hen niet kunnen begraven, ze werden zonder kist de grond in gestoken. Drie jaar geleden verloor ze reeds 15 leden van haar familie, toen de Taliban de macht overnamen en alles verwoestten. Niet alleen haar gezin en familie is ze kwijt, al haar bezittingen zijn vernietigd. Zo zijn er vele verhalen.”
We hebben interviews gehad met vrouwen in de urbane gebieden; ze hadden nauwelijks voedsel, ’s nachts moesten ze in de kou op de lemen vloer slapen. Vele mensen zijn al dood gegaan van de kou. In de urbane gebieden wonen mensen vaak samen in bestaande woningen : soms met 11 in één kamertje, ze pakken alle werk aan dat ze kunnen krijgen voor een hongerloontje. Het is de meest abominabele miserie.”
Vele van de vrouwen zijn ziek en depressief. Hun kinderen zijn er ook slecht aan toe, wanneer ze een vliegtuig horen overvliegen, drukken ze hun handen tegen hun oren, beginnen ze te zweten en worden heel angstig. Ook al zijn ze nu veilig in Pakistan, slapen gaat niet, ze zijn allen zwaar getraumatiseerd.”
Over hoeveel mensen gaat het eigenlijk? “Alleen al in het kamp van ‘Jalouzai’ zitten zo’n 80.000 mensen. Sinds de bombardementen zitten er in de omgeving van de stad nog 100.000. Het totaal van de vluchtelingen wordt geschat op 2.000.000.” De kampen van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties zijn iets beter georganiseerd maar ze kunnen het werk niet aan en met duizenden moeten de vluchtelingen huizen onder plastiek zeiltjes. Irene Khan sprak met vele van hen, aanhoorde hun verhalen, stak kaarsen aan. A.I. kan alleen maar op deze manier haar solidariteit betuigen en beroep doen op andere organisaties die de mogelijkheid hebben om rechtstreeks te helpen.
A.I. eist dat er de gedwongen terugkeer wordt afgeschaft, de mensen moeten ook beter opgevangen worden, de delegatie maakte zich onder meer ernstig zorgen over de opvangcapaciteit. Verder is A.I. tegen het gesloten houden van de grenzen en moet de enorme corruptie aan de grens aangepakt worden.
Hierover en over de mensenrechtensituatie in Pakistan zelf ging Irene Khan spreken met president Musharaf en de minister van buitenlandse zaken van Pakistan. Eén positief effect van de gesprekken die Irene Khan had met de bewindslieden is alvast dat er heel wat minderjarigen uit de doodstrafcellen gehaald werden. Rob Brouwers: “meteen na het gesprek werd de missie verzekerd dat jongeren niet meer zullen terechtgesteld worden, wél nog levenslang opgesloten… In november werd nog een 13-jarig jongetje opgehangen.”
dinsdag, april 10, 2001
Tunesië: Nooit nog vrij spreken of samen komen
Radhia Nasraoui komt als advocate op voor de mensenrechten in Tunesië. Ze wordt regelmatig bedreigd en haar kinderen zijn ondervraagd door de autoriteiten. Recent werd ze gesignaleerd in Brussel op uitnodiging van onze Franstalige collega’s van AIBF. Wij hadden een gesprek.
Het wordt steeds moeilijker om in Tunesië op te komen voor de rechten van de mens. Iedereen die zich inzet voor de mensenrechten, individueel of als lid van een organisatie, krijgt vroeg of laat te maken met onderdrukking en intimidatie door de Tunesische autoriteiten. Radhia Nasraoui is mensenrechtenadvocate, komt op voor rechten van vrouwen en is lid van de Tunesische Orde van Advocaten. Haar echtgenoot, Hamma Hammami, een vooraanstaand persoon binnen de verboden partij PCOT, werd verschillende malen vastgehouden als gewetensgevangene. Sinds februari van dit jaar leeft hij ondergedoken. In maart 1998 werd Radhia Nasraoui aangeklaagd vanwege 'terrorisme' en 'banden met een criminele organisatie'. Dit gebeurde op een moment dat ze in Mali voor Amnesty International een proces waarnam. Bij terugkeer in Tunesië werd ze ondervraagd door de rechter van instructie en op de hoogte gesteld van de aanklachten tegen haar. Radhia Nasraoui kreeg te horen dat ze het land of de hoofdstad niet mag verlaten. Daarmee werd haar werk ernstig beperkt omdat ze buiten de stad haar cliënten moet kunnen bezoeken of processen bijwonen.
Maar ook haar kinderen werden geïntimideerd door de autoriteiten. De jongste van negen werd ondervraagd over de verblijfplaats van haar vader en was eenmaal slachtoffer van een voorgewende poging tot ontvoering. Ook is op Radhia Nasraoui druk uitgeoefend via haar cliënten, die zijn ondervraagd en geadviseerd van advocaat te veranderen.
Radhia Nasraoui begint met te zeggen dat Amnesty heel belangrijk was en is voor haar strijd. “Jullie steun geeft de moed om verder te gaan. Alhoewel de situatie voortdurend verergert. Sinds deze zomer was het discours van president Zine el-`Abidine Ben `Ali: “nooit zullen mensen nog vrij kunnen spreken of samenkomen.” Daarop begon een hele serie intimidaties door de politie. Mensen mochten niet meer samen komen want ze zouden complotten kunnen beraden tegen de staat.”
Wat gebeurt er met mensen die verdacht worden?
“Mijn broer doet hetzelfde als ik. Hij werd tot 8 jaar cel veroordeeld. Toen hij normaal voorwaardelijk in vrijheid zou gesteld worden wilden ze dat beletten en hem nog 5 jaar laten zitten. Het hele proces was erg gemediatiseerd. In de VS werd een hele actie voor hem opgezet. Maar de overheid wilde blijkbaar een voorbeeld stellen: zelfs hij mag niets meer zeggen. Buiten hem zijn er duizenden Islamisten en linkse activisten die vast zitten omwille van hun overtuiging.”
Hoe is de positie van het gerecht in dit alles?
“De justitie is niet onafhankelijk. Magistraten worden bedreigd, ze hebben angst en doen wat hen wordt opgedragen. Tijdens de vorige president, Bourguiba, hadden de magistraten zelfs wel eens gestaakt. Nu kan een rechter zijn job verliezen als ze als hij iemand niet wil veroordelen. Ze worden geterroriseerd. Meer nog: justitie wordt gebruikt als instrument om het project van de machtigen uit te voeren. Het voornaamste probleem is dat mensen worden veroordeeld op basis van lege dossiers. Zo waren er een aantal hongerstakers, drie maand hadden ze niet gegeten, het waren skeletten. De reactie van de rechter luidde dat ze “niet wilden spreken,” terwijl ze daar gewoon niet meer toe in staat waren. In zulke toestand kunnen mensen gewoon helemaal niet berecht worden. En toch is het gebeurd.”
“Ondertussen zijn er velen gevlucht naar het buitenland. Een aantal dissidenten bleef. Maar ze leven in moeilijke omstandigheden, overal is er politie. Er is geen gebouw waar de conciërge niet samen werkt met de politie. Iedereen wordt opgeroepen om met de ‘ordehandhaving’ te collaboreren. Ook kinderen worden geterroriseerd. Vooral zij wiens ouders militanten zijn, komen onder vuur te liggen.”
Neemt de pers haar kritische rol dan niet waar?
“De journalisten schrijven al helemaal niet over de mistoestanden. Hun chefs worden geterroriseerd en de kranten doen aan auto-censuur. En dat terwijl Tunesië één van de landen is die het verdrag tegen marteling geratificeerd heeft. Maar daar wordt niet over geschreven. Mijn man is dagelijks gefolterd. Bourguiba nam tenminste nog maatregelen tegen deze praktijken.”
Wat zijn uw ervaringen met Amnesty?
“Wanneer ik de eerste maal in contact kwam met AI, was ik een jonge advocate aan het begin van mijn carrière. Het was 1978, de tijd van het oproer en de onderdrukking van de vakbondsleden van de Algemene Vakbond van de Werkers van Tunesië, I ontdekte de ernst waarmee Amnesty vertegenwoordigers de dossiers behandelden waarmee ze te maken hadden. Hun zoektocht naar de waarheid en discretie. Ik was getroffen door de onafhankelijkheid naar iedereen. Terwijl ik werkte aan de dossiers van mijn cliënten, die van verscheidene achtergronden en politieke overtuigingen waren, begreep ik hoe efficiënt Amnesty’s werk is. Zo werd een cliënt die ‘verdwenen’ was voor de openbare aanklager gebracht nadat een ‘Dringende actie’ voor hem was opgezet. Een andere cliënt die was geslagen en slecht behandeld in de gevangenis kreeg een betere behandeling na een actie van AI. Wanneer een cliënt van mij door heeft dat er mensen zijn die hij niet kent, uit een ver land, die naar zijn vrijlating of gezondheid vragen… Dat speelt een grote rol in het verlichten van zijn eenzaamheid. Het biedt hoop en helpt om tijdens de vaak onmenselijke omstandigheden vol te houden.”
Hoe is het uw man vergaan?
“Hamma Hammami is altijd gewetensgevangene geweest. Sinds zijn onderduiking is hij wel eens de meest gezochte man van Tunesië genoemd. Men omsingelt hele wijken, valt onverhoeds binnen in huizen terwijl de bewoners slapen. Er staat geen maat meer op de acties van de politie. Zelfs toevallige vrienden van mijn dochter werden opgepakt voor ondervraging.
Toen mijn man in 1994 gearresteerd werd, gemarteld en veroordeeld tot gevangenisstraf, heb ik zelf aan de lijve ondervonden hoe effectief Amnesty’s acties zijn. AI en andere NGO’s (Niet Gouvernementele Organisaties) speelden een belangrijke rol in het verbeteren van de schrikbarende omstandigheden in de gevangenis en in zijn vrijlating. Maanden van isolatie, psychische en lichamelijke agressie moest hij ondergaan. Ik zal de morele ondersteuning nooit vergeten, vooral sommige telefoontjes van AI vrienden in moeilijke momenten. Ik kon er steeds zeker van zijn dat alle informatie die ik over mijn man doorgaf, naar alle hoeken van de wereld werd verspreid. Hierdoor werd het gevoel van isolement doorbroken en konden de daders onder de aandacht gebracht worden.
“Uiteindelijk werd ik zelf ook doelwit van voortdurende pesterijen. Mijn overtuiging dat AI een uiterst belangrijke de rol te spelen heeft werd eens te meer bevestigd: Mijn persoonlijke ervaringen hielpen me inzien dat de tussenkomsten van AI de autoriteiten eraan herinnerd dat het slachtoffer niet vergeten is, en dat honderden, zoniet duizenden mensen in de hele wereld bezorgd zijn over het lot van deze persoon.”
Wat zou u Amnesty nog willen aanraden?
Het is heel belangrijk dat AI geen rekening houdt met de sociale achtergrond, ideologische of politieke overtuiging van het slachtoffer. Jullie acties bewijzen dat ‘mensenrechten voor iedereen’ geen lege slogan is. De honderden postkaarten dat ik en mijn man ontvingen zijn het levende bewijs van deze solidariteit van jullie leden die op de hoogte zijn van onze situatie. Het werk van AI is echt vitaal, op dat ooit alle mensenrechtenschendingen ophouden te bestaan.
Het wordt steeds moeilijker om in Tunesië op te komen voor de rechten van de mens. Iedereen die zich inzet voor de mensenrechten, individueel of als lid van een organisatie, krijgt vroeg of laat te maken met onderdrukking en intimidatie door de Tunesische autoriteiten. Radhia Nasraoui is mensenrechtenadvocate, komt op voor rechten van vrouwen en is lid van de Tunesische Orde van Advocaten. Haar echtgenoot, Hamma Hammami, een vooraanstaand persoon binnen de verboden partij PCOT, werd verschillende malen vastgehouden als gewetensgevangene. Sinds februari van dit jaar leeft hij ondergedoken. In maart 1998 werd Radhia Nasraoui aangeklaagd vanwege 'terrorisme' en 'banden met een criminele organisatie'. Dit gebeurde op een moment dat ze in Mali voor Amnesty International een proces waarnam. Bij terugkeer in Tunesië werd ze ondervraagd door de rechter van instructie en op de hoogte gesteld van de aanklachten tegen haar. Radhia Nasraoui kreeg te horen dat ze het land of de hoofdstad niet mag verlaten. Daarmee werd haar werk ernstig beperkt omdat ze buiten de stad haar cliënten moet kunnen bezoeken of processen bijwonen.
Maar ook haar kinderen werden geïntimideerd door de autoriteiten. De jongste van negen werd ondervraagd over de verblijfplaats van haar vader en was eenmaal slachtoffer van een voorgewende poging tot ontvoering. Ook is op Radhia Nasraoui druk uitgeoefend via haar cliënten, die zijn ondervraagd en geadviseerd van advocaat te veranderen.
Radhia Nasraoui begint met te zeggen dat Amnesty heel belangrijk was en is voor haar strijd. “Jullie steun geeft de moed om verder te gaan. Alhoewel de situatie voortdurend verergert. Sinds deze zomer was het discours van president Zine el-`Abidine Ben `Ali: “nooit zullen mensen nog vrij kunnen spreken of samenkomen.” Daarop begon een hele serie intimidaties door de politie. Mensen mochten niet meer samen komen want ze zouden complotten kunnen beraden tegen de staat.”
Wat gebeurt er met mensen die verdacht worden?
“Mijn broer doet hetzelfde als ik. Hij werd tot 8 jaar cel veroordeeld. Toen hij normaal voorwaardelijk in vrijheid zou gesteld worden wilden ze dat beletten en hem nog 5 jaar laten zitten. Het hele proces was erg gemediatiseerd. In de VS werd een hele actie voor hem opgezet. Maar de overheid wilde blijkbaar een voorbeeld stellen: zelfs hij mag niets meer zeggen. Buiten hem zijn er duizenden Islamisten en linkse activisten die vast zitten omwille van hun overtuiging.”
Hoe is de positie van het gerecht in dit alles?
“De justitie is niet onafhankelijk. Magistraten worden bedreigd, ze hebben angst en doen wat hen wordt opgedragen. Tijdens de vorige president, Bourguiba, hadden de magistraten zelfs wel eens gestaakt. Nu kan een rechter zijn job verliezen als ze als hij iemand niet wil veroordelen. Ze worden geterroriseerd. Meer nog: justitie wordt gebruikt als instrument om het project van de machtigen uit te voeren. Het voornaamste probleem is dat mensen worden veroordeeld op basis van lege dossiers. Zo waren er een aantal hongerstakers, drie maand hadden ze niet gegeten, het waren skeletten. De reactie van de rechter luidde dat ze “niet wilden spreken,” terwijl ze daar gewoon niet meer toe in staat waren. In zulke toestand kunnen mensen gewoon helemaal niet berecht worden. En toch is het gebeurd.”
“Ondertussen zijn er velen gevlucht naar het buitenland. Een aantal dissidenten bleef. Maar ze leven in moeilijke omstandigheden, overal is er politie. Er is geen gebouw waar de conciërge niet samen werkt met de politie. Iedereen wordt opgeroepen om met de ‘ordehandhaving’ te collaboreren. Ook kinderen worden geterroriseerd. Vooral zij wiens ouders militanten zijn, komen onder vuur te liggen.”
Neemt de pers haar kritische rol dan niet waar?
“De journalisten schrijven al helemaal niet over de mistoestanden. Hun chefs worden geterroriseerd en de kranten doen aan auto-censuur. En dat terwijl Tunesië één van de landen is die het verdrag tegen marteling geratificeerd heeft. Maar daar wordt niet over geschreven. Mijn man is dagelijks gefolterd. Bourguiba nam tenminste nog maatregelen tegen deze praktijken.”
Wat zijn uw ervaringen met Amnesty?
“Wanneer ik de eerste maal in contact kwam met AI, was ik een jonge advocate aan het begin van mijn carrière. Het was 1978, de tijd van het oproer en de onderdrukking van de vakbondsleden van de Algemene Vakbond van de Werkers van Tunesië, I ontdekte de ernst waarmee Amnesty vertegenwoordigers de dossiers behandelden waarmee ze te maken hadden. Hun zoektocht naar de waarheid en discretie. Ik was getroffen door de onafhankelijkheid naar iedereen. Terwijl ik werkte aan de dossiers van mijn cliënten, die van verscheidene achtergronden en politieke overtuigingen waren, begreep ik hoe efficiënt Amnesty’s werk is. Zo werd een cliënt die ‘verdwenen’ was voor de openbare aanklager gebracht nadat een ‘Dringende actie’ voor hem was opgezet. Een andere cliënt die was geslagen en slecht behandeld in de gevangenis kreeg een betere behandeling na een actie van AI. Wanneer een cliënt van mij door heeft dat er mensen zijn die hij niet kent, uit een ver land, die naar zijn vrijlating of gezondheid vragen… Dat speelt een grote rol in het verlichten van zijn eenzaamheid. Het biedt hoop en helpt om tijdens de vaak onmenselijke omstandigheden vol te houden.”
Hoe is het uw man vergaan?
“Hamma Hammami is altijd gewetensgevangene geweest. Sinds zijn onderduiking is hij wel eens de meest gezochte man van Tunesië genoemd. Men omsingelt hele wijken, valt onverhoeds binnen in huizen terwijl de bewoners slapen. Er staat geen maat meer op de acties van de politie. Zelfs toevallige vrienden van mijn dochter werden opgepakt voor ondervraging.
Toen mijn man in 1994 gearresteerd werd, gemarteld en veroordeeld tot gevangenisstraf, heb ik zelf aan de lijve ondervonden hoe effectief Amnesty’s acties zijn. AI en andere NGO’s (Niet Gouvernementele Organisaties) speelden een belangrijke rol in het verbeteren van de schrikbarende omstandigheden in de gevangenis en in zijn vrijlating. Maanden van isolatie, psychische en lichamelijke agressie moest hij ondergaan. Ik zal de morele ondersteuning nooit vergeten, vooral sommige telefoontjes van AI vrienden in moeilijke momenten. Ik kon er steeds zeker van zijn dat alle informatie die ik over mijn man doorgaf, naar alle hoeken van de wereld werd verspreid. Hierdoor werd het gevoel van isolement doorbroken en konden de daders onder de aandacht gebracht worden.
“Uiteindelijk werd ik zelf ook doelwit van voortdurende pesterijen. Mijn overtuiging dat AI een uiterst belangrijke de rol te spelen heeft werd eens te meer bevestigd: Mijn persoonlijke ervaringen hielpen me inzien dat de tussenkomsten van AI de autoriteiten eraan herinnerd dat het slachtoffer niet vergeten is, en dat honderden, zoniet duizenden mensen in de hele wereld bezorgd zijn over het lot van deze persoon.”
Wat zou u Amnesty nog willen aanraden?
Het is heel belangrijk dat AI geen rekening houdt met de sociale achtergrond, ideologische of politieke overtuiging van het slachtoffer. Jullie acties bewijzen dat ‘mensenrechten voor iedereen’ geen lege slogan is. De honderden postkaarten dat ik en mijn man ontvingen zijn het levende bewijs van deze solidariteit van jullie leden die op de hoogte zijn van onze situatie. Het werk van AI is echt vitaal, op dat ooit alle mensenrechtenschendingen ophouden te bestaan.
maandag, januari 29, 2001
De perversie heeft alle grenzen overschreden - Els de Temmerman over meisjes in de Afrikaanse armenlegers
De laatste twee jaar is journaliste Els de Temmerman bijna uitsluitend met de problematiek van de kindsoldaten bezig geweest. En dan vooral de meisjes. Sinds haar boek uitkwam “de meisjes van Aboke,” is alles in een stroomversnelling terecht gekomen. De journaliste was zo getroffen door de tragiek van de kindsoldaten dat ze een vzw “sponsering kinderen Oeganda” oprichtte samen met een aantal vrijwilligers om de ontsnapte slachtoffertjes terug naar school te laten gaan. Al het geld dat het boek, lezingen en andere activiteiten tot nu toe opgebracht hebben is via die vzw allemaal rechtstreeks naar de opvang van ontsnapte kindsoldaten in Oeganda gegaan. Ze bezocht het Oost-Afrikaanse land ondertussen zeven maal. Haar boek heeft ze ondertussen zelf vertaald in het Engels. Binnenkort volgt er een lezingenreeks in Canada.
Het fenomeen van de kindsoldaten is niet nieuw meer. Maar dat meisjes worden gerekruteerd, dat hadden we vóór uw boek nog niet gehoord. “inderdaad, ook voor mij was dit nieuw. Toen ik het kindsoldaten leger van Charles Taylor bezocht in Liberia was er geen sprake van meisjes. In Sierra Leone worden en werden kinderen ontvoerd door het RUF (Revolutionary United Front) maar ook daar heb ik geen weet van meisjes.”
Het “Weerstandsleger van de Heer” van Joseph Kony echter, dat op grote schaal kinderen ontvoert in Noord-Oeganda, maakt er een bewuste strategie van om meisjes op te nemen in haar rangen. Het leger van Kony is echt een kinderleger. Het bestaat voor 90% uit kinderen. 40% daarvan zijn meisjes. “De meisjes worden niet ingezet in de frontlinie. Wel moeten ze zelf vechten voor hun eten. Ze worden gedwongen om dorpen te overvallen om eten te stelen. Verder worden ze vooral gebruikt als seksslavinnen. Vanaf 12 jaar worden ze gegeven aan commandanten die zich het ijverigst hebben getoond, dat wil zeggen, de grootste vechtersbazen die het meest gemoord en gefolterd hebben.”
Er worden blijkbaar echte moordmachines van gemaakt. “Ja, de kinderen mogen geen emoties tonen. Vrienden gaan makkelijker samen spannen tegen Joseph Kony. Er zouden dissidente groepen kunnen ontstaan. Alle relaties worden dan ook verboden, als een jongen en een meisje samen worden betrapt, dan worden ze gedood.”
Van diegenen die ontsnappen zijn de meisjes het moeilijkst te rehabiliteren. Ze zijn ernstig seksueel getraumatiseerd. De meesten kunnen over hun seksuele trauma helemaal niet spreken of ontkennen zelfs dat ze gebruikt werden. Terwijl we weten dat ze allemaal werden gebruikt. Zoals in vele Afrikaanse landen heerst er een schaamtecultuur. Over zulke dingen wordt niet gesproken. De meisjes vrezen bovendien dat ze helemaal geen goede man meer zullen vinden. Psychologisch zijn ze totaal hun zelfrespect kwijt. Ze verafschuwen zichzelf zo dat ze bijvoorbeeld tien of twaalf keer per dag een douche willen nemen alsof ze het vuil er niet af krijgen.”
Hoe worden de meisjes opgevangen als ze ontsnapt zijn? “Er zijn verschillende centra’s, onder meer twee Christelijke in Gulu, die via het geloof proberen om ze psychologisch te helpen. In Gusco is er een centrum dat een meer Afrikaanse aanpak heeft. Bij hen heb ik de stappen wat gevolgd: Het eerste dat wordt gedaan is het ‘uniform’ van het weersta ndsleger verbranden en alles wat aan hen herinnerd. Vervolgens krijgen ze nieuwe kleren en kunnen ze zich grondig wassen. Na wat op adem te zijn gekomen probeert men op één of andere manier hun verhaal naar buiten te krijgen, bijvoorbeeld door ze te laten tekenen, of door theater of andere expressievormen zoals zingen, dansen, het spelen van muziekinstrumenten. Spreken gaat zeer moeilijk, zowel voor meisjes als jongens. In een derde fase wordt gepoogd af te rekenen met het verleden door symbolische daden te stellen zoals opnieuw dopen, of een traditionele duivelsuitdrijving. Er is psychiatrische begeleiding met individuele gesprekken. Maar de therapie blijft vooral toegespitst op jongens. Meisjes vertellen hun verhalen makkelijker samen met de anderen. Alles komt dan vaak aan bod behalve het seksuele trauma. Ook wanneer meisjes terug keren met een baby geven ze nog moeilijk toe dat die baby van hen is. Of zwangere meisjes.” Een punt van discussie is hier, verplicht je haar om het kind te houden als ze het niet wil? Volgens “World Vision,” een Noord-Amerikaanse organisatie die gesteund wordt door de republikeinen, mag abortus niet. In de centra die zij steunen wordt het dus geweigerd het meisje ter wille te zijn. “Ik heb zelf een meisje gesproken dat haar kind niet wilde. Toen het later geboren werd kwam ze het op het centrum afgeven en zei: breng het maar naar zijn vader.”
Een ander probleem zijn de vele geslachtsziekten waar de meisjes mee terug keren. Haast allemaal zijn ze geïnfecteerd. Aids verspreid zich razendsnel
Wat zit erachter? Er moet nog een reden zijn voor de meisjes? “De aangroei van binnenuit. Er zouden nu al zo’n 500 kinderen geboren zijn binnen het leger. Die baby’s groeien op onder onvoorstelbare omstandigheden. Vanaf drie jaar moeten ze een geweer dragen. En vanaf 5 jaar worden ze ingezet in de strijd. Het worden Kony’s beste volgelingen en echte moordmachines. Meisjes worden systematisch geslagen, kinderen worden gedood. Ik heb een getuigenis gelezen in een Amnesty rapport waarin verteld werd hoe enkele kinderen met handgeklap gewekt werden. Vervolgens moesten ze op de grond gaan liggen in een cirkel van kaarsen, de omstaande kinderen moesten hen dan doden met messen.
Ondertussen zijn op dat soort berichten internationaal zoveel reacties gekomen dat het nu meer in het verborgene gebeurd. Iedereen maakt zich ernstig zorgen, nu al zijn er Afrika-specialisten die kindsoldaten een groter gevaar noemen dan aids.
Overigens is de leeftijd van de ontvoerde meisjes (kinderen?) steeds jonger. Toen ik pas begon aan mijn boek was die leeftijd 7 jaar. Tegen het einde was dat 5 jaar jong en nu worden zelfs 2-jarigen al meegenomen. Het blijkt trouwens dat er in Soedan zelf ook meer en meer meisjes worden gekidnapt… voor de slavenhandel die terug opgekomen is. In de burgeroorlog tussen noord en zuid bombardeert het leger dorpen plat en haalt de vrouwen er weg om ze te verkopen aan Arabisch-Soedanese families als huisslaven. In 1988 al kwamen er Arabieren kinderen ‘kopen voor één jaar’ van arme families in het zuiden. Ze betaalden de ouders ongeveer 10 dollar voor het kind.
Wat zijn volgens Els De Temmerman de oorzaken van deze ontwikkelingen. Waarom de kinderen? “Het westen draagt hier een zware verantwoordelijkheid. Een eerste grote reden is de enorme verspreiding van lichte wapens. Die zijn makkelijk te dragen en licht aan onderhoud. Er zouden nu al machinegeweren op de markt zijn met speciaal aangepaste handvaten voor kinderen. Een tweede belangrijke reden is een wereldwijd verlies aan waarden.” Getuige daarvan de seksindustrie. “Inderdaad. Een tijdje geleden werd in Italië nog een database gevonden in Italië. Geïnteresseerden konden ‘live’ kinderen zien vermoorden na het betalen van 800.000 frank. Kinderen worden een commercieel product.
En ten derde, heel belangrijk voor de armenlegers van het zuiden: kinderen zijn de beste en goedkoopste soldaten. Ze hebben geen schrik, hebben geen benul van de dood, hen wordt wijsgemaakt dat ze, door zichzelf in te smeren met olie (bij Kony), onkwetsbaar worden voor kogels. Vijf-jarige kinderen lopen zo gewoon op kogelregens toe. Ze zijn manipuleerbaar en gehoorzaam, hoeven geen salaris en verbruiken minder voedsel. De perversie heeft alle grenzen overschreden.”
Het fenomeen van de kindsoldaten is niet nieuw meer. Maar dat meisjes worden gerekruteerd, dat hadden we vóór uw boek nog niet gehoord. “inderdaad, ook voor mij was dit nieuw. Toen ik het kindsoldaten leger van Charles Taylor bezocht in Liberia was er geen sprake van meisjes. In Sierra Leone worden en werden kinderen ontvoerd door het RUF (Revolutionary United Front) maar ook daar heb ik geen weet van meisjes.”
Het “Weerstandsleger van de Heer” van Joseph Kony echter, dat op grote schaal kinderen ontvoert in Noord-Oeganda, maakt er een bewuste strategie van om meisjes op te nemen in haar rangen. Het leger van Kony is echt een kinderleger. Het bestaat voor 90% uit kinderen. 40% daarvan zijn meisjes. “De meisjes worden niet ingezet in de frontlinie. Wel moeten ze zelf vechten voor hun eten. Ze worden gedwongen om dorpen te overvallen om eten te stelen. Verder worden ze vooral gebruikt als seksslavinnen. Vanaf 12 jaar worden ze gegeven aan commandanten die zich het ijverigst hebben getoond, dat wil zeggen, de grootste vechtersbazen die het meest gemoord en gefolterd hebben.”
Er worden blijkbaar echte moordmachines van gemaakt. “Ja, de kinderen mogen geen emoties tonen. Vrienden gaan makkelijker samen spannen tegen Joseph Kony. Er zouden dissidente groepen kunnen ontstaan. Alle relaties worden dan ook verboden, als een jongen en een meisje samen worden betrapt, dan worden ze gedood.”
Van diegenen die ontsnappen zijn de meisjes het moeilijkst te rehabiliteren. Ze zijn ernstig seksueel getraumatiseerd. De meesten kunnen over hun seksuele trauma helemaal niet spreken of ontkennen zelfs dat ze gebruikt werden. Terwijl we weten dat ze allemaal werden gebruikt. Zoals in vele Afrikaanse landen heerst er een schaamtecultuur. Over zulke dingen wordt niet gesproken. De meisjes vrezen bovendien dat ze helemaal geen goede man meer zullen vinden. Psychologisch zijn ze totaal hun zelfrespect kwijt. Ze verafschuwen zichzelf zo dat ze bijvoorbeeld tien of twaalf keer per dag een douche willen nemen alsof ze het vuil er niet af krijgen.”
Hoe worden de meisjes opgevangen als ze ontsnapt zijn? “Er zijn verschillende centra’s, onder meer twee Christelijke in Gulu, die via het geloof proberen om ze psychologisch te helpen. In Gusco is er een centrum dat een meer Afrikaanse aanpak heeft. Bij hen heb ik de stappen wat gevolgd: Het eerste dat wordt gedaan is het ‘uniform’ van het weersta ndsleger verbranden en alles wat aan hen herinnerd. Vervolgens krijgen ze nieuwe kleren en kunnen ze zich grondig wassen. Na wat op adem te zijn gekomen probeert men op één of andere manier hun verhaal naar buiten te krijgen, bijvoorbeeld door ze te laten tekenen, of door theater of andere expressievormen zoals zingen, dansen, het spelen van muziekinstrumenten. Spreken gaat zeer moeilijk, zowel voor meisjes als jongens. In een derde fase wordt gepoogd af te rekenen met het verleden door symbolische daden te stellen zoals opnieuw dopen, of een traditionele duivelsuitdrijving. Er is psychiatrische begeleiding met individuele gesprekken. Maar de therapie blijft vooral toegespitst op jongens. Meisjes vertellen hun verhalen makkelijker samen met de anderen. Alles komt dan vaak aan bod behalve het seksuele trauma. Ook wanneer meisjes terug keren met een baby geven ze nog moeilijk toe dat die baby van hen is. Of zwangere meisjes.” Een punt van discussie is hier, verplicht je haar om het kind te houden als ze het niet wil? Volgens “World Vision,” een Noord-Amerikaanse organisatie die gesteund wordt door de republikeinen, mag abortus niet. In de centra die zij steunen wordt het dus geweigerd het meisje ter wille te zijn. “Ik heb zelf een meisje gesproken dat haar kind niet wilde. Toen het later geboren werd kwam ze het op het centrum afgeven en zei: breng het maar naar zijn vader.”
Een ander probleem zijn de vele geslachtsziekten waar de meisjes mee terug keren. Haast allemaal zijn ze geïnfecteerd. Aids verspreid zich razendsnel
Wat zit erachter? Er moet nog een reden zijn voor de meisjes? “De aangroei van binnenuit. Er zouden nu al zo’n 500 kinderen geboren zijn binnen het leger. Die baby’s groeien op onder onvoorstelbare omstandigheden. Vanaf drie jaar moeten ze een geweer dragen. En vanaf 5 jaar worden ze ingezet in de strijd. Het worden Kony’s beste volgelingen en echte moordmachines. Meisjes worden systematisch geslagen, kinderen worden gedood. Ik heb een getuigenis gelezen in een Amnesty rapport waarin verteld werd hoe enkele kinderen met handgeklap gewekt werden. Vervolgens moesten ze op de grond gaan liggen in een cirkel van kaarsen, de omstaande kinderen moesten hen dan doden met messen.
Ondertussen zijn op dat soort berichten internationaal zoveel reacties gekomen dat het nu meer in het verborgene gebeurd. Iedereen maakt zich ernstig zorgen, nu al zijn er Afrika-specialisten die kindsoldaten een groter gevaar noemen dan aids.
Overigens is de leeftijd van de ontvoerde meisjes (kinderen?) steeds jonger. Toen ik pas begon aan mijn boek was die leeftijd 7 jaar. Tegen het einde was dat 5 jaar jong en nu worden zelfs 2-jarigen al meegenomen. Het blijkt trouwens dat er in Soedan zelf ook meer en meer meisjes worden gekidnapt… voor de slavenhandel die terug opgekomen is. In de burgeroorlog tussen noord en zuid bombardeert het leger dorpen plat en haalt de vrouwen er weg om ze te verkopen aan Arabisch-Soedanese families als huisslaven. In 1988 al kwamen er Arabieren kinderen ‘kopen voor één jaar’ van arme families in het zuiden. Ze betaalden de ouders ongeveer 10 dollar voor het kind.
Wat zijn volgens Els De Temmerman de oorzaken van deze ontwikkelingen. Waarom de kinderen? “Het westen draagt hier een zware verantwoordelijkheid. Een eerste grote reden is de enorme verspreiding van lichte wapens. Die zijn makkelijk te dragen en licht aan onderhoud. Er zouden nu al machinegeweren op de markt zijn met speciaal aangepaste handvaten voor kinderen. Een tweede belangrijke reden is een wereldwijd verlies aan waarden.” Getuige daarvan de seksindustrie. “Inderdaad. Een tijdje geleden werd in Italië nog een database gevonden in Italië. Geïnteresseerden konden ‘live’ kinderen zien vermoorden na het betalen van 800.000 frank. Kinderen worden een commercieel product.
En ten derde, heel belangrijk voor de armenlegers van het zuiden: kinderen zijn de beste en goedkoopste soldaten. Ze hebben geen schrik, hebben geen benul van de dood, hen wordt wijsgemaakt dat ze, door zichzelf in te smeren met olie (bij Kony), onkwetsbaar worden voor kogels. Vijf-jarige kinderen lopen zo gewoon op kogelregens toe. Ze zijn manipuleerbaar en gehoorzaam, hoeven geen salaris en verbruiken minder voedsel. De perversie heeft alle grenzen overschreden.”
Trefwoorden
Interview,
kindsoldaten
donderdag, september 28, 2000
Amnesty doet wat aan het Belgische vluchtelingenbeleid
Het Belgische asielbeleid kende in september 1999 niet meer of minder dan een omwenteling. Er werd een volledig nieuw beleid uitgestippeld. Op papier althans. Voor Amnesty Vlaanderen zijn de vluchtelingenproblematiek en het asielbeleid in België een zorgenkindje. Op het secretariaat coördineert één man alle activiteiten daar rond. Sinds een half jaar wordt ook gewerkt aan het opzetten van een TCT (Thema-Coördinatie-Team) om de bredere beweging te betrekken bij deze moeilijke materie.
Toen in September 1999, één jaar na de dood van Semiru Adamu, werd aangekondigd dat het hele beleid zou herzien worden, werd Amnesty betrokken bij de voorbereidende vergadering op het centrum Leman. Duquesne had Jacques Jaumotte aangetrokken als consultant. Deze man zou op enkel maanden een nieuwe wet moeten schrijven. Om zich te informeren reisde hij heel Europa rond en vergaderde hij met heel wat NGO’s over de zaak. In mei van dit jaar werd het nieuwe plan aangekondigd als klaar maar dan hoorden we er niets meer over. Er zou onder de verschillende regeringspartijen een consensus bestaat om de uitvoering ervan uit te stellen tot na de gemeenteraadsverkiezingen. Voorlopig is het dus koffiedik kijken wat de uitvoering van de nieuwe wet betreft.
Ondertussen neemt Amnesty Vlaanderen haast geen individuele cases meer aan. Dat is trouwens een internationale trend. Case-werking vergt gewoon teveel tijd en energie. Op het secretariaat in Antwerpen werkt nu één voltijds tewerkgestelde per jaar. En dat terwijl er 80,000 asielaanvragers per jaar zijn. Niet te doen. Dus wordt alles gezet op beleidsbeïnvloeding en het uitwerken van voorstellen naar een kwalitatief hoogstaande procedure. De enkele individuele dossiers die toch nog worden opgevolgd (het IS vraagt AIVL een 10-tal dossiers per jaar te volgen) worden dan vaak gebruikt als voorbeeld. Voor het lobbywerk wordt er veel samen gewerkt met andere organisaties en asielinstanties. Vooral het OCIV (Overleg Centrum voor Integratie Vluchtelingen) in Brussel is een belangrijke partner. Zij hebben drie juristen in huis en samen met hen heeft Amnesty er al veel gezamenlijke acties op zitten. ‘Netwerking’ in de praktijk, als het ware.
De persoon die dat alles opvolgt in de Kerkstraat is de vluchtelingen-coördinator. Een job die heel wat taken behelst. Het eerste is het opvolgen van het Belgische asielbeleid, d.w.z. de wetgeving zelf, de problemen in verband met de uitwijzingen en detentie van asielzoekers en tenslotte een specifieke problematiek zoals deze van de minderjarige vluchtelingen. Ten tweede, het nemen van initiatieven op Europees niveau, zeg maar lobbywerk, in samenwerking met de Europese lobbygroep van Amnesty. Zo worden de Belgische Europarlementariërs benaderd om druk uit te oefenen. En hier is er een duidelijke link met het nationaal niveau. Duquesne gebruikt vaak het argument dat er op Europees niveau nog niets geregeld is, als excuus voor zijn immobilisme. “Maar België mag best een voortrekkersrol spelen,” zo zegt Tom Bogaert, vluchtelingencoördinator op het secretariaat in Antwerpen. “Er moet overigens dringend gewerkt worden aan de ‘demystificatie’ van de Europese werking. Vooral met Amnesty zijn we daar sterk in, want we beschikken over een professionele lobbygroep, waarin onder meer ook Albert Gans zit, en we hebben de materie stevig onder de knie. In dat verband is het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie binnenkort een belangrijke kans om met nieuwe voorstellen naar buiten te komen.“
Een derde taak is het opvolgen van de politieke actualiteit. Hier kan Amnesty kort op de bal spelen. Er wordt dan ook vaak gewerkt met de pers. In de zaak van Semiru Adamu en recenter dat van de Roma zigeuners verschenen opiniestukken in De Standaard en De Morgen. Er was sprake van een duidelijke link met mensenrechtenschendingen.
Tom Bogaert is jurist van opleiding. Een carrière aan de balie was echter niet aan hem besteedt. Hij deed zijn burgerdienst op het Klein Kasteeltje, waar hij in de eerstelijnsopvang van asielzoekers terechtkwam. En meteen was de toon gezet. Zijn eerste job was op het beruchte Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en staatlozen waar hij vooral Afrikaanse dossiers te verwerken kreeg. Ervaring die naderhand goed van pas kwam toen Tom voor 2 jaar werd uitgestuurd door de VN als “assistent deskundige.” Bij zijn aansluitend werk, op het regionaal VN-kantoor in Kinshasa, kon hij de nasleep van de Rwanda-crises in 1996 van nabij volgen en later de laatste maanden van het Mobutu-régime. Vervolgens werd hij enkele maanden op missie gestuurd naar Burundi om de situatie van de Rwandese vluchtelingen te evalueren. En tenslotte anderhalf jaar naar Thailand waar hij verantwoordelijk was voor de bescherming van de Birmese vluchtelingen. Terug in België bleek dat Amnesty op zoek was naar een nieuwe vluchtelingencoördinator. Na een maand stoomcursus door zijn voorgangster Shaïda pakte Tom de Amnesty-stier bij de horens. Het was 1 september 1999, een jaar na de dood van Semiru Adamu. Wat hem vooral van pas kwam zijn de ervaringen en contacten op het Commissariaat-Generaal en andere organisaties. Want in zo’n moeilijke materie is het heel belangrijk verschillende klokken te horen luiden.
Het voorbije jaar werd er dan een Thema Coördinatie Team opgericht voor de vluchtelingenproblematiek. Net zoals bij de andere TCT’s die reeds bestaan binnen de werking, was het de bedoeling een groep mensen bijeen te krijgen buiten het secretariaat rond het thema asielzoekers. Zo was uit de beweging de behoefte geuit naar meer informatiedoorstroming. Tom Bogaert: “Want terwijl wij in de Kerkstraat met onze neus op de dingen zitten, is het niet eenvoudig op een geregelde en verstaanbare manier informatie te leveren over de actualiteit.” Zo wilde het secretariaat een denktank oprichten die op korte termijn analyses kan maken van de teksten die ze toegestuurd krijgen. Bijvoorbeeld een nota van de ministerraad. “Wij hebben een klankbord nodig om ideeën uit te wisselen alvorens erover te discussiëren. Dat laatste kan trouwens perfect per e-mail. Daarbij is het zeker niet de bedoeling dat de vluchtelingencoördinator het hoge woord heeft.”
Toen in September 1999, één jaar na de dood van Semiru Adamu, werd aangekondigd dat het hele beleid zou herzien worden, werd Amnesty betrokken bij de voorbereidende vergadering op het centrum Leman. Duquesne had Jacques Jaumotte aangetrokken als consultant. Deze man zou op enkel maanden een nieuwe wet moeten schrijven. Om zich te informeren reisde hij heel Europa rond en vergaderde hij met heel wat NGO’s over de zaak. In mei van dit jaar werd het nieuwe plan aangekondigd als klaar maar dan hoorden we er niets meer over. Er zou onder de verschillende regeringspartijen een consensus bestaat om de uitvoering ervan uit te stellen tot na de gemeenteraadsverkiezingen. Voorlopig is het dus koffiedik kijken wat de uitvoering van de nieuwe wet betreft.
Ondertussen neemt Amnesty Vlaanderen haast geen individuele cases meer aan. Dat is trouwens een internationale trend. Case-werking vergt gewoon teveel tijd en energie. Op het secretariaat in Antwerpen werkt nu één voltijds tewerkgestelde per jaar. En dat terwijl er 80,000 asielaanvragers per jaar zijn. Niet te doen. Dus wordt alles gezet op beleidsbeïnvloeding en het uitwerken van voorstellen naar een kwalitatief hoogstaande procedure. De enkele individuele dossiers die toch nog worden opgevolgd (het IS vraagt AIVL een 10-tal dossiers per jaar te volgen) worden dan vaak gebruikt als voorbeeld. Voor het lobbywerk wordt er veel samen gewerkt met andere organisaties en asielinstanties. Vooral het OCIV (Overleg Centrum voor Integratie Vluchtelingen) in Brussel is een belangrijke partner. Zij hebben drie juristen in huis en samen met hen heeft Amnesty er al veel gezamenlijke acties op zitten. ‘Netwerking’ in de praktijk, als het ware.
De persoon die dat alles opvolgt in de Kerkstraat is de vluchtelingen-coördinator. Een job die heel wat taken behelst. Het eerste is het opvolgen van het Belgische asielbeleid, d.w.z. de wetgeving zelf, de problemen in verband met de uitwijzingen en detentie van asielzoekers en tenslotte een specifieke problematiek zoals deze van de minderjarige vluchtelingen. Ten tweede, het nemen van initiatieven op Europees niveau, zeg maar lobbywerk, in samenwerking met de Europese lobbygroep van Amnesty. Zo worden de Belgische Europarlementariërs benaderd om druk uit te oefenen. En hier is er een duidelijke link met het nationaal niveau. Duquesne gebruikt vaak het argument dat er op Europees niveau nog niets geregeld is, als excuus voor zijn immobilisme. “Maar België mag best een voortrekkersrol spelen,” zo zegt Tom Bogaert, vluchtelingencoördinator op het secretariaat in Antwerpen. “Er moet overigens dringend gewerkt worden aan de ‘demystificatie’ van de Europese werking. Vooral met Amnesty zijn we daar sterk in, want we beschikken over een professionele lobbygroep, waarin onder meer ook Albert Gans zit, en we hebben de materie stevig onder de knie. In dat verband is het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie binnenkort een belangrijke kans om met nieuwe voorstellen naar buiten te komen.“
Een derde taak is het opvolgen van de politieke actualiteit. Hier kan Amnesty kort op de bal spelen. Er wordt dan ook vaak gewerkt met de pers. In de zaak van Semiru Adamu en recenter dat van de Roma zigeuners verschenen opiniestukken in De Standaard en De Morgen. Er was sprake van een duidelijke link met mensenrechtenschendingen.
Tom Bogaert is jurist van opleiding. Een carrière aan de balie was echter niet aan hem besteedt. Hij deed zijn burgerdienst op het Klein Kasteeltje, waar hij in de eerstelijnsopvang van asielzoekers terechtkwam. En meteen was de toon gezet. Zijn eerste job was op het beruchte Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en staatlozen waar hij vooral Afrikaanse dossiers te verwerken kreeg. Ervaring die naderhand goed van pas kwam toen Tom voor 2 jaar werd uitgestuurd door de VN als “assistent deskundige.” Bij zijn aansluitend werk, op het regionaal VN-kantoor in Kinshasa, kon hij de nasleep van de Rwanda-crises in 1996 van nabij volgen en later de laatste maanden van het Mobutu-régime. Vervolgens werd hij enkele maanden op missie gestuurd naar Burundi om de situatie van de Rwandese vluchtelingen te evalueren. En tenslotte anderhalf jaar naar Thailand waar hij verantwoordelijk was voor de bescherming van de Birmese vluchtelingen. Terug in België bleek dat Amnesty op zoek was naar een nieuwe vluchtelingencoördinator. Na een maand stoomcursus door zijn voorgangster Shaïda pakte Tom de Amnesty-stier bij de horens. Het was 1 september 1999, een jaar na de dood van Semiru Adamu. Wat hem vooral van pas kwam zijn de ervaringen en contacten op het Commissariaat-Generaal en andere organisaties. Want in zo’n moeilijke materie is het heel belangrijk verschillende klokken te horen luiden.
Het voorbije jaar werd er dan een Thema Coördinatie Team opgericht voor de vluchtelingenproblematiek. Net zoals bij de andere TCT’s die reeds bestaan binnen de werking, was het de bedoeling een groep mensen bijeen te krijgen buiten het secretariaat rond het thema asielzoekers. Zo was uit de beweging de behoefte geuit naar meer informatiedoorstroming. Tom Bogaert: “Want terwijl wij in de Kerkstraat met onze neus op de dingen zitten, is het niet eenvoudig op een geregelde en verstaanbare manier informatie te leveren over de actualiteit.” Zo wilde het secretariaat een denktank oprichten die op korte termijn analyses kan maken van de teksten die ze toegestuurd krijgen. Bijvoorbeeld een nota van de ministerraad. “Wij hebben een klankbord nodig om ideeën uit te wisselen alvorens erover te discussiëren. Dat laatste kan trouwens perfect per e-mail. Daarbij is het zeker niet de bedoeling dat de vluchtelingencoördinator het hoge woord heeft.”
woensdag, september 27, 2000
Colombiaans Advocaat hangt aan de noodklok
Colombia is anno 2000 het gewelddadigste land in Zuid-Amerika. De Mensenrechten zijn een nog weinig aan te treffen bekommernis geworden, in een groot deel van het land zwaaien rechtse paramilitairen de plak. Met als drogreden de drugsbestrijding neemt de militarisering van het Andesland hallucinante vormen aan. Miguel Puerto probeert er iets aan te doen, hij was onlangs in ons land om getuigenis af te leggen.
Een zonnige vrijdagochtend in Brussel komt Miguel Puerto spreken over Colombia. Hij maakt deel uit van een advocatencollectief in de hoofdstad Bogotá dat zich inzet voor mensenrechtenorganisaties en -activisten (onder meer politieke gevangenen) die worden bedreigd en vervolgd. Met als gevolg dat ook zij zelf bedreigd worden. Het “Colectivo de Abogados José Alvear Restrepo” bestaat uit 9 advocaten. Miguel Puerto begint met zijn ervaringen als advocaat voor de organisatie Credhos (Reginaal comité voor de verdediging van de mensenrechten) in de noordelijke stad Barrancabermeja. Daar had op 16 mei 1998 een massamoord plaats door paramilitairen. “We hebben dossiers van de staatsveiligheid gevonden die wijzen op het medeweten en de steun van de overheid voor de gewelddadige groepen. Democratie en mensenrechten in Colombia zijn niet te vergelijken met die in andere landen. Statistieken tonen aan dat de toestand catastrofaal is. De voorbije 30 jaar zijn duizenden mensen verdwenen maar niemand is vervolgd, om de twee dagen verdwijnen gemiddeld 10 mensen.” Volgens Puerto is president Andrés Pastrana op de hoogte van het probleem én van de omvang. Hij wil echter niet optreden, waardoor de straffeloosheid hoogtij viert. ‘Verdwijningen' worden niet beschouwd als een misdaad.
“Paramilitairen zijn geen derde partij,” aldus Puerto. “Ze zijn verbonden aan de regering die de groeperingen gebruikt voor politieke genocide op haar tegenstrevers. Via het leger profiteren de paramilitairen mee van het defensiebudget en beide blijven ongestraft.” Militaire rechtbanken spreken geen straffen uit. Integendeel, repressie en vervolging door de regering is schering en inslag: mensenrechtenactivisten worden bedreigd en verdwijnen. Door het schrikbewind zijn veel activisten verplicht het land te verlaten. Er is een vuile oorlog gaande.”
De Colombiaanse overheid voelt zich gesterkt door de steun vanuit de Verenigde Staten. Dit land beloofde recent voor miljoenen dollars aan steun aan het ‘Plan Colombia,’ een ambitieus plan om de drugsproductie uit te roeien. Maar volgens vele waarnemers is het plan vooral militair ingevuld en druist het in tegen de Burgerlijke en Politieke Rechten. Miguel Puerto: “Het Plan is opgesteld onder het mom van de strijd tegen de drugshandel maar biedt geen garantie over de inzet van de militairen. Ze kunnen even goed ingezet worden om burgerdorpen te bombarderen. Er zijn nu al meer dan 1 miljoen ontheemden in Colombia, en dat cijfer kan nog verdubbelen.” De Noord-Amerikaanse steun zou gaan naar het leger, en vooral gebruikt worden voor een versterking van de militaire aanwezigheid in het zuiden waar het meeste van de coca verbouwd wordt. Dat is ook de regio waar de linkse guerrillero’s sterk staan. Het noorden zou dan echter buiten schot blijven terwijl daar het grootste deel van de verwerking van de coca plaats vindt, en bovendien de rechtse paramilitairen er erg sterk staan. Nu gebruiken de beide fracties geweld. Maar terwijl de guerrilla zich vooral richt tegen de overheid gaat het bij de paramilitairen om regelrechte terreur tegen de bevolking. Ze schuwen geen enkele methode. Willekeurige moorden, mensen doden voor de ogen van anderen als intimidatie etc
Zit er dan echt geen opening in de actuele situatie? Miguel Puerto: “toen het vredesproces werd besproken op internationaal niveau werden diverse bomaanslagen gepleegd. Er werd gezegd dat deze werd gepleegd door de guerrilla maar onafhankelijk onderzoek wees op betrokkenheid van (ex-)militairen om paniek te creëren en het vredesproces te torpederen.” Blijkbaar zijn er meerdere partijen die willen dat de oorlog blijft duren. “De inzet is macht en geld. De internationale gemeenschap moet dit inzien en de regering verplichtingen opleggen. Dat is nodig want momenteel escaleert de situatie totaal.”
Een zonnige vrijdagochtend in Brussel komt Miguel Puerto spreken over Colombia. Hij maakt deel uit van een advocatencollectief in de hoofdstad Bogotá dat zich inzet voor mensenrechtenorganisaties en -activisten (onder meer politieke gevangenen) die worden bedreigd en vervolgd. Met als gevolg dat ook zij zelf bedreigd worden. Het “Colectivo de Abogados José Alvear Restrepo” bestaat uit 9 advocaten. Miguel Puerto begint met zijn ervaringen als advocaat voor de organisatie Credhos (Reginaal comité voor de verdediging van de mensenrechten) in de noordelijke stad Barrancabermeja. Daar had op 16 mei 1998 een massamoord plaats door paramilitairen. “We hebben dossiers van de staatsveiligheid gevonden die wijzen op het medeweten en de steun van de overheid voor de gewelddadige groepen. Democratie en mensenrechten in Colombia zijn niet te vergelijken met die in andere landen. Statistieken tonen aan dat de toestand catastrofaal is. De voorbije 30 jaar zijn duizenden mensen verdwenen maar niemand is vervolgd, om de twee dagen verdwijnen gemiddeld 10 mensen.” Volgens Puerto is president Andrés Pastrana op de hoogte van het probleem én van de omvang. Hij wil echter niet optreden, waardoor de straffeloosheid hoogtij viert. ‘Verdwijningen' worden niet beschouwd als een misdaad.
“Paramilitairen zijn geen derde partij,” aldus Puerto. “Ze zijn verbonden aan de regering die de groeperingen gebruikt voor politieke genocide op haar tegenstrevers. Via het leger profiteren de paramilitairen mee van het defensiebudget en beide blijven ongestraft.” Militaire rechtbanken spreken geen straffen uit. Integendeel, repressie en vervolging door de regering is schering en inslag: mensenrechtenactivisten worden bedreigd en verdwijnen. Door het schrikbewind zijn veel activisten verplicht het land te verlaten. Er is een vuile oorlog gaande.”
De Colombiaanse overheid voelt zich gesterkt door de steun vanuit de Verenigde Staten. Dit land beloofde recent voor miljoenen dollars aan steun aan het ‘Plan Colombia,’ een ambitieus plan om de drugsproductie uit te roeien. Maar volgens vele waarnemers is het plan vooral militair ingevuld en druist het in tegen de Burgerlijke en Politieke Rechten. Miguel Puerto: “Het Plan is opgesteld onder het mom van de strijd tegen de drugshandel maar biedt geen garantie over de inzet van de militairen. Ze kunnen even goed ingezet worden om burgerdorpen te bombarderen. Er zijn nu al meer dan 1 miljoen ontheemden in Colombia, en dat cijfer kan nog verdubbelen.” De Noord-Amerikaanse steun zou gaan naar het leger, en vooral gebruikt worden voor een versterking van de militaire aanwezigheid in het zuiden waar het meeste van de coca verbouwd wordt. Dat is ook de regio waar de linkse guerrillero’s sterk staan. Het noorden zou dan echter buiten schot blijven terwijl daar het grootste deel van de verwerking van de coca plaats vindt, en bovendien de rechtse paramilitairen er erg sterk staan. Nu gebruiken de beide fracties geweld. Maar terwijl de guerrilla zich vooral richt tegen de overheid gaat het bij de paramilitairen om regelrechte terreur tegen de bevolking. Ze schuwen geen enkele methode. Willekeurige moorden, mensen doden voor de ogen van anderen als intimidatie etc
Zit er dan echt geen opening in de actuele situatie? Miguel Puerto: “toen het vredesproces werd besproken op internationaal niveau werden diverse bomaanslagen gepleegd. Er werd gezegd dat deze werd gepleegd door de guerrilla maar onafhankelijk onderzoek wees op betrokkenheid van (ex-)militairen om paniek te creëren en het vredesproces te torpederen.” Blijkbaar zijn er meerdere partijen die willen dat de oorlog blijft duren. “De inzet is macht en geld. De internationale gemeenschap moet dit inzien en de regering verplichtingen opleggen. Dat is nodig want momenteel escaleert de situatie totaal.”
donderdag, augustus 31, 2000
Amnesty kan Braziliaanse mensenrechtencentra ondersteunen
In Brazilië leven meer dan 12 miljoen kinderen op straat. In de krottenwijken rond Rio de Janeiro zwerven 100.000 kinderen rond. Ze leven van wat de straat hen biedt en organiseren zich in straatbendes. Ze stelen of bedelen om in leven te blijven, ze snuiven lijm, zijn aan de drugs, zitten in de prostitutie. Het zijn slachtoffers van een maatschappij waar geen plaats is voor armen.
Sinds 1985 werkt de Vlaming Jan Daniëls, samen met zijn Braziliaanse echtgenote Athamis Barbosa in Sao Martinho. Onlangs kwam hij in België het hebben over een nieuw project rond preventie en reïntegratie. We starten ons gesprek met de vaststelling dat mensenrechten een belangrijk thema zijn in het Brazilië van vandaag.
“In 1988 hebben we de ‘democratisering’ meegemaakt na de dictatuur.”
Een van de resultaten daarvan is dat Brazilië op papier een heel progressieve wetgeving heeft. Vrije meningsuiting, kinderen- en vrouwenrechten worden hoog in het vaandel gedragen. In de praktijk blijft die wet echter dode letter. De democratisering verloopt moeilijk. Alle politieke en economische macht zit nog steeds in dezelfde handen als vroeger. Dezelfde militairen uit de dictatuur, de industriëlen - ze zitten nog allemaal in het zadel.
De programma’s van het IMF werden rigoureus uitgevoerd en momenteel is het land een heus investeringsparadijs voor bedrijven. Tegelijkertijd is er nog nooit zo gesnoeid in sociale programma’s. De steeds aangroeiende massa armen zijn er ondertussen erger aan toe dan onder de dictatuur. Vanuit de kazerne werd nog een populistisch beleid gevoerd met een aantal minimale sociale voordelen om het volk zoet te houden.
Nu is er enkel nog een absoluut wild kapitalisme met als resultaat een veel grotere kloof tussen arm en rijk: bij 5 % van de bevolking vind je een enorme kapitaal concentratie terwijl 70 % veel armer geworden is.
Privatisering van vele staatsbedrijven is op een zeer corrupte manier verlopen. Zo is het grootste mijnbedrijf ter wereld, Rio Dose, verkocht aan 10% van de normale prijs en dat vlak nadat er de grootste aders ter wereld waren gevonden.
Bij de media wordt alle kritiek systematisch weggeknipt.
Onlangs zei de Braziliaanse regering dat het probleem van de straatkinderen opgelost is. Hoe is dat te begrijpen? “Officieel zijn er nog slechts 10.000 in heel het land. De president is enorm aan het investeren in public relations, hij heeft nog nooit zoveel gereisd. Schattingen van onafhankelijke organisaties spreken van 30.000 en ongeveer 50.000 semi-straatkinderen, dat zijn onder meer schoenpoetsertjes die vaak op straat slapen om een dure busrit uit te sparen
Noodlanding
“Onze NGO probeert deze straatkinderen op te vangen die rondzwerven in het centrum en ook in de toeristische buurten. Wij bieden hen een noodlanding aan met basisdiensten zoals 3 maaltijden per dag, Tweedehandskledij, een dokter... Preventief proberen we de kinderen van de straat te houden, in eerste instantie met een volledig opendeur systeem. Allen hebben ze het gesloten internaat meegemaakt waar ze, bij speciale gelegenheden (pausbezoek, carnaval, bezoek van Amerikaanse president etc) steevast worden ingestopt. Achteraf werden ze dan telkens weer de straat op gegooid.
In tweede instantie hebben we ook educatieve en kleine economische activiteiten. Alfabetisering, de opbouw van een sociaal leven stimuleren via onder meer voetbal en muziek - deze laatste twee zijn alomtegenwoordig in Brazilië. In creatieve ateliers leren ze dingen maken. Zo heb je een houtatelier, het werken met machines wordt aangeleerd, zo worden er kleine houten speelgoedjes gemaakt.
Voor schoenpoetsertjes hebben we een coöperatief stelsel opgezet, met een maandloon dat wat hoger ligt dan wat ze normaal verdienen. Kijk, het gaat eigenlijk om fiscale vluchtelingen vanuit de favella’s, vanaf 8 à 9 jaar worden ze aangespoord om buiten de krottenwijken geld te gaan verdienen. In de media is de negatieve beeldvorming aan de orde van de dag. Bij 14-jarigen hebben ze het over “zware criminelen.”
Momenteel geven we ook al aan 750 jongeren werk bij staats- en privébedrijven. Deze krijgen daarvoor belastingsaftrek.
Eén van onze succesprojecten is een ijsroomatelier in de kelders van het grootste sportstadium ter wereld. Dit is ondertussen zelfvoorzienend en is het resultaat van een partnership met het ministerie van justitie. Men heeft vastgesteld dat elke 120 $ die op deze manier in de jongeren geinvesteerd zijn, elke maand 80% resultaat oplevert. In de staatsgevangenis is het omgekeerd.
Verder doen we ook preventief werk in 6 à 7 krottenwijken waar politiebendes zowel als de drugshandel zeer geweldadig te werk gaan. Dat maakt die buurten een pré-reservoir van straatkinderen. Er wonen heel veel jonge moeders en éénoudergezinnen. We hebben er preventieve centra opgericht met onder meer kinderkribbes die werken met vrijwilligers. Zo kunnen de kinderen opgevangen worden terwijl de vrouw gaat werken. Er worden ook knutselateliers en alfabetiseringscursussen voor volwassenen gegeven. Bellangrijk is ook de ondersteuning die we geven aan wijkorganisaties. En het werkt; we hebben gemerkt dat waar zo’n centra actief is, de migratie naar het centrum bijna tot nul herleid is. De grondkrachten in de werking zijn vrouwen - die zich moeten overeind houden in een machismo-cultuur.
In Sao Martinho investeren we stevig in vorming van begeleiders. Ze komen zelf ook uit de krottenwijken en zijn heel gemotiveerd, ze kennen het harde leven van binnenuit. De basis is “empowerment”
Verder hebben we ook een kinderrechtencentrum waar verschillende kinderadvocaten werkzaam zijn. Zij kennen de verschillende mechanismen waardoor de kinderen in de miserie raken en proberen de straffeloosheid te doorbreken van agressoren die het gemunt hebben op hen. Dat heeft de voorbije jaren enkele bescheiden successen opgeleverd. Zo werden verschillende militairen voor de rechter gebracht. Door een wetswijziging van begin 1997 kunnen zij ook voor een burgerrechter gebracht worden, als er voldoende bewijzen zijn.
Jan Daniëls haalt een voorbeeld aan: “in 1998 werden er 4 kinderen vermoord voor een poort, het was in het centrum van de stad, tijdens het spitsuur, terwijl honderden auto’s voorbij reden. De lijken bleven urenlang op straat liggen. Een 13-jarig jongetje was getuige, ondermeer hoe een politieagent stond te kijken op de schietpartij en even later wegwandelde. Het jongetje had luid gezongen en was onder invloed van lijm maar had een fotografisch geheugen. Hij werd op vier uur buiten de stad gebracht en kreeg daar ondersteuning. Dankzij die getuigenis kon een luitenant van de miltitaire politie die al ettelijke kinderen had vermoord, opgepakt worden. De man zit nu in voorarrest, er werd een hoorzitting gorganiseerd vanuit het beschermingsadres van het jongetje. In een ander gelijkaardig geval martelde een doodseskader een jonge getuige met glasscherven. De leider van die bende werd veroordeeld tot 36 jaar. We streven ernaar om een reeks modelprocessen op gang te brengen om een multiplicatoreffect te bereiken. Vele kleine mensenrechtencentra verbinden zich tot een heel netwerk. Daarbij is internationale steun heel belangrijk. Bijvoorbeeld de wereldwijde briefschrijfacties van Amnesty: die kunnen het tij doen keren.
De mensenrechtencentra zijn nog nooit zo succesvol geweest en er is reden voor een relatief optimisme.
Amnesty organiseert rond de zware schendingen een werelddossier. Leden uit de hele wereld zouden dan brieven kunnen sturen naar het “staatssekretariaat voor openbare veiligheid” om verantwoording te vragen. Deze dienst verenigt het hoofd van de politie, staatsveiligheid, geheime politie etc. Als van alle brieven een kopie naar Sao Martinho worden gestuurd dan kunnen ze niet zeggen dat ze niet aankwamen. Zou zou 1 tot 2 maand actie moeten gevoerd worden op concrete dossiers zoals de kindergevangenis. Na de actie zou een delegatie van Amnesty met Jan Daniëls de gebundelde copies moeten gaan afgeven aan de gouverneur of de staatsekretaris.
A.I. heeft daarvoor al aan Sao Martinho een voorstel gevraagd voor de concrete actie. Op het staatssekretariaat zegt men dat de toestand al veel verbeterd is, wij kunnen het tegendeel bewijzen.
De info zou kunnen gaan naar lokale groepen hier met als bijkomend voordeel dat Jan Daniëls Vlaming is.
Sinds 1985 werkt de Vlaming Jan Daniëls, samen met zijn Braziliaanse echtgenote Athamis Barbosa in Sao Martinho. Onlangs kwam hij in België het hebben over een nieuw project rond preventie en reïntegratie. We starten ons gesprek met de vaststelling dat mensenrechten een belangrijk thema zijn in het Brazilië van vandaag.
“In 1988 hebben we de ‘democratisering’ meegemaakt na de dictatuur.”
Een van de resultaten daarvan is dat Brazilië op papier een heel progressieve wetgeving heeft. Vrije meningsuiting, kinderen- en vrouwenrechten worden hoog in het vaandel gedragen. In de praktijk blijft die wet echter dode letter. De democratisering verloopt moeilijk. Alle politieke en economische macht zit nog steeds in dezelfde handen als vroeger. Dezelfde militairen uit de dictatuur, de industriëlen - ze zitten nog allemaal in het zadel.
De programma’s van het IMF werden rigoureus uitgevoerd en momenteel is het land een heus investeringsparadijs voor bedrijven. Tegelijkertijd is er nog nooit zo gesnoeid in sociale programma’s. De steeds aangroeiende massa armen zijn er ondertussen erger aan toe dan onder de dictatuur. Vanuit de kazerne werd nog een populistisch beleid gevoerd met een aantal minimale sociale voordelen om het volk zoet te houden.
Nu is er enkel nog een absoluut wild kapitalisme met als resultaat een veel grotere kloof tussen arm en rijk: bij 5 % van de bevolking vind je een enorme kapitaal concentratie terwijl 70 % veel armer geworden is.
Privatisering van vele staatsbedrijven is op een zeer corrupte manier verlopen. Zo is het grootste mijnbedrijf ter wereld, Rio Dose, verkocht aan 10% van de normale prijs en dat vlak nadat er de grootste aders ter wereld waren gevonden.
Bij de media wordt alle kritiek systematisch weggeknipt.
Onlangs zei de Braziliaanse regering dat het probleem van de straatkinderen opgelost is. Hoe is dat te begrijpen? “Officieel zijn er nog slechts 10.000 in heel het land. De president is enorm aan het investeren in public relations, hij heeft nog nooit zoveel gereisd. Schattingen van onafhankelijke organisaties spreken van 30.000 en ongeveer 50.000 semi-straatkinderen, dat zijn onder meer schoenpoetsertjes die vaak op straat slapen om een dure busrit uit te sparen
Noodlanding
“Onze NGO probeert deze straatkinderen op te vangen die rondzwerven in het centrum en ook in de toeristische buurten. Wij bieden hen een noodlanding aan met basisdiensten zoals 3 maaltijden per dag, Tweedehandskledij, een dokter... Preventief proberen we de kinderen van de straat te houden, in eerste instantie met een volledig opendeur systeem. Allen hebben ze het gesloten internaat meegemaakt waar ze, bij speciale gelegenheden (pausbezoek, carnaval, bezoek van Amerikaanse president etc) steevast worden ingestopt. Achteraf werden ze dan telkens weer de straat op gegooid.
In tweede instantie hebben we ook educatieve en kleine economische activiteiten. Alfabetisering, de opbouw van een sociaal leven stimuleren via onder meer voetbal en muziek - deze laatste twee zijn alomtegenwoordig in Brazilië. In creatieve ateliers leren ze dingen maken. Zo heb je een houtatelier, het werken met machines wordt aangeleerd, zo worden er kleine houten speelgoedjes gemaakt.
Voor schoenpoetsertjes hebben we een coöperatief stelsel opgezet, met een maandloon dat wat hoger ligt dan wat ze normaal verdienen. Kijk, het gaat eigenlijk om fiscale vluchtelingen vanuit de favella’s, vanaf 8 à 9 jaar worden ze aangespoord om buiten de krottenwijken geld te gaan verdienen. In de media is de negatieve beeldvorming aan de orde van de dag. Bij 14-jarigen hebben ze het over “zware criminelen.”
Momenteel geven we ook al aan 750 jongeren werk bij staats- en privébedrijven. Deze krijgen daarvoor belastingsaftrek.
Eén van onze succesprojecten is een ijsroomatelier in de kelders van het grootste sportstadium ter wereld. Dit is ondertussen zelfvoorzienend en is het resultaat van een partnership met het ministerie van justitie. Men heeft vastgesteld dat elke 120 $ die op deze manier in de jongeren geinvesteerd zijn, elke maand 80% resultaat oplevert. In de staatsgevangenis is het omgekeerd.
Verder doen we ook preventief werk in 6 à 7 krottenwijken waar politiebendes zowel als de drugshandel zeer geweldadig te werk gaan. Dat maakt die buurten een pré-reservoir van straatkinderen. Er wonen heel veel jonge moeders en éénoudergezinnen. We hebben er preventieve centra opgericht met onder meer kinderkribbes die werken met vrijwilligers. Zo kunnen de kinderen opgevangen worden terwijl de vrouw gaat werken. Er worden ook knutselateliers en alfabetiseringscursussen voor volwassenen gegeven. Bellangrijk is ook de ondersteuning die we geven aan wijkorganisaties. En het werkt; we hebben gemerkt dat waar zo’n centra actief is, de migratie naar het centrum bijna tot nul herleid is. De grondkrachten in de werking zijn vrouwen - die zich moeten overeind houden in een machismo-cultuur.
In Sao Martinho investeren we stevig in vorming van begeleiders. Ze komen zelf ook uit de krottenwijken en zijn heel gemotiveerd, ze kennen het harde leven van binnenuit. De basis is “empowerment”
Verder hebben we ook een kinderrechtencentrum waar verschillende kinderadvocaten werkzaam zijn. Zij kennen de verschillende mechanismen waardoor de kinderen in de miserie raken en proberen de straffeloosheid te doorbreken van agressoren die het gemunt hebben op hen. Dat heeft de voorbije jaren enkele bescheiden successen opgeleverd. Zo werden verschillende militairen voor de rechter gebracht. Door een wetswijziging van begin 1997 kunnen zij ook voor een burgerrechter gebracht worden, als er voldoende bewijzen zijn.
Jan Daniëls haalt een voorbeeld aan: “in 1998 werden er 4 kinderen vermoord voor een poort, het was in het centrum van de stad, tijdens het spitsuur, terwijl honderden auto’s voorbij reden. De lijken bleven urenlang op straat liggen. Een 13-jarig jongetje was getuige, ondermeer hoe een politieagent stond te kijken op de schietpartij en even later wegwandelde. Het jongetje had luid gezongen en was onder invloed van lijm maar had een fotografisch geheugen. Hij werd op vier uur buiten de stad gebracht en kreeg daar ondersteuning. Dankzij die getuigenis kon een luitenant van de miltitaire politie die al ettelijke kinderen had vermoord, opgepakt worden. De man zit nu in voorarrest, er werd een hoorzitting gorganiseerd vanuit het beschermingsadres van het jongetje. In een ander gelijkaardig geval martelde een doodseskader een jonge getuige met glasscherven. De leider van die bende werd veroordeeld tot 36 jaar. We streven ernaar om een reeks modelprocessen op gang te brengen om een multiplicatoreffect te bereiken. Vele kleine mensenrechtencentra verbinden zich tot een heel netwerk. Daarbij is internationale steun heel belangrijk. Bijvoorbeeld de wereldwijde briefschrijfacties van Amnesty: die kunnen het tij doen keren.
De mensenrechtencentra zijn nog nooit zo succesvol geweest en er is reden voor een relatief optimisme.
Amnesty organiseert rond de zware schendingen een werelddossier. Leden uit de hele wereld zouden dan brieven kunnen sturen naar het “staatssekretariaat voor openbare veiligheid” om verantwoording te vragen. Deze dienst verenigt het hoofd van de politie, staatsveiligheid, geheime politie etc. Als van alle brieven een kopie naar Sao Martinho worden gestuurd dan kunnen ze niet zeggen dat ze niet aankwamen. Zou zou 1 tot 2 maand actie moeten gevoerd worden op concrete dossiers zoals de kindergevangenis. Na de actie zou een delegatie van Amnesty met Jan Daniëls de gebundelde copies moeten gaan afgeven aan de gouverneur of de staatsekretaris.
A.I. heeft daarvoor al aan Sao Martinho een voorstel gevraagd voor de concrete actie. Op het staatssekretariaat zegt men dat de toestand al veel verbeterd is, wij kunnen het tegendeel bewijzen.
De info zou kunnen gaan naar lokale groepen hier met als bijkomend voordeel dat Jan Daniëls Vlaming is.
donderdag, januari 27, 2000
Vluchtelingencrises in Oost-Timor - Doffe plek in de Gordel van Smaragd
In September 1999 keek de wereld toe hoe de crisis zich ontvouwde in het oude Portugese wingewest Oost-Timor. Nadat het grootste deel van de bevolking in de eerste vrije verkiezingen had gekozen voor de onafhankelijkheid, dreven paramilitaire milities 75% van de bevolking uit hun huizen. Een massale vluchtelingenstroom bracht tienduizenden de grens over waar ze nog steeds verblijven in inderhaast opgerichte kampen.
Indonesië beleefde één van de meest tumultueuze jaren in zijn moderne geschiedenis. De economische ineenstorting van 1997 wakkerde de kreten naar politieke verandering enorm aan. Uiteindelijk leidde dat tot het einde van de dertigjarige heerschappij van Suharto in Mei 1998. Zijn opvolger en beschermeling, vice-president B.J. Habibie, probeerde zichzelf te distantiëren van zijn voorganger door politieke gevangenen vrij te laten, het lang ingeburgerde repressie-apparaat te ontmantelen en vrije verkiezingen op de agenda te zetten. Geen van deze maatregelen gaven hem veel legitimiteit in de ogen van een sceptische bevolking. Het leger, traditioneel het machtigste instituut na de president, leek zwakker dan ooit en meer en meer misbruiken kwamen aan het licht. Stijgende prijzen, voedseltekorten en enorme werkloosheid brachten uitbarstingen van geweld met zich mee. Arme maar bodemrijke regio’s gebruikten de nieuwe wind om hun ontvoogdingsambities alle zeilen bij te zetten. Deze eisen, samen met nieuwe stappen die op hoog niveau gezet werden tussen Portugal en Indonesië over politieke autonomie voor Oost-Timor zette het aloude debat over federalisme weer op de sporen. Wijd verspreide angsten over de mogelijke desintegratie van het land konden niet uitblijven.
Ontheemden. Op Oost-Timor was de bevolking ondertussen ten prooi gevallen aan allerlei paramilitaire milities. Alles wijst erop dat deze groepen getraind zijn door het Indonesische leger en de Nationale Politie. Ze werden eind 1998 opgericht en gebruikten bedreigingen, intimidatie en regelrecht geweld om een pro-Indonesische stemming bij de bevolking te forceren. Tienduizenden ontkwamen naar de heuvels, meer dan een kwart miljoen anderen vluchtten of werden met geweld verjaagd, meestal over de grens naar West Timor.
Oost-Timor zelf is nu vrij van militiegeweld. Maar voor een geschatte 100 à 150.000 vluchtelingen in West-Timor is de crisis allesbehalve over. Onlangs keerde een onderzoeksteam van Amnesty terug van de regio. Ze bracht verhalen mee van voortdurende bedreigingen, intimidaties en afpersingen. In sommige gevallen is er sprake van moordpartijen, ‘verdwijningen’ en seksueel geweld. De ontheemden lopen voortdurend het risico mishandeld te worden. Vooral getuigenissen van geweld tegen vrouwen zijn hardnekkig. Verschillende bronnen gewagen van verkrachtingen en ontvoeringen met de bedoeling de slachtoffers te dwingen tot prostitutie. Amnesty is bezorgd dat, waar toegang tot de kampen niet behoorlijk bewaakt is, vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor deze praktijken.
Aanwezigheid van nog steeds dezelfde paramilitaire milities en gebrek aan veiligheidsgaranties blijven een hypotheek leggen op de vrijwillige en veilige terugkeer van de vluchtelingen. Hun drieste activiteiten worden nu nog steeds vlotjes door de vingers gezien door de Indonesische autoriteiten. Wat maakt dat ze de facto het predikaat ‘onschendbaar’ hebben verworven. Alsof dat nog niet genoeg is verergeren regens de situaties in de slecht uitgeruste kampen. Sommige delen van de kampen lopen onder, wateraanvoer en sanitair zijn onvoldoende en het water is bovendien van slechte kwaliteit. Velen leven onder geïmproviseerde shelters van zeildoek, plastic of zelfs bladeren, nauwelijks een bescherming tegen zware regenval. Voorspelbaar gevolg: chronische diarree, malaria en tbc steken de kop op.
Terug naar huis. Een lichte verbetering in de veiligheidssituatie eind november vorig jaar zorgde voor een betere toegang tot de kampen voor de internationale humanitaire organisaties. Dringende medische hulpverlening en bijstand bij de repatriëring waren nu mogelijk. De situatie blijft echter precair en het aantal teruggekeerden is klein. Amnesty vreest dat vele vluchtelingen nog steeds belet worden terug te keren. Diegenen die de stap wagen hebben veel kans afgeperst of aangevallen te worden aan de grens. Ook krijgen ze weinig of geen informatie over de situatie in hun thuisland.
Oost-Timor is verwoest. Tienduizenden Oost-Timorezen kunnen niet mee werken aan de heropbouw van hun land omdat hun terugkeer belet wordt. De crisis zal niet voorbij zijn voor de vluchtelingen weer thuis zijn en de mensenrechtenschendingen gestopt zijn. Amnesty roept de regering in Jakarta op om 1° de vluchtelingen te beschermen, 2° de milities te ontwapenen, 3° mensenrechtenschenders voor de rechter te brengen, 4° humanitaire hulporganisaties de vrije toegang tot de kampen te verzekeren en te zorgen dat zij die het nodig hebben de hulp ook krijgen, 5° samen te werken met het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN om de terugkeer te begeleiden. Tenslotte, 5° ervoor te zorgen dat ze hun basisrechten kunnen uitoefenen, inclusief het verlaten van het land.
Van de internationale gemeenschap vraagt Amnesty dat ze 1° druk uitoefent om Indonesië er toe aan te zetten al deze verplichtingen na te leven, 2° voldoende financiële middelen voorziet voor het Commissariaat en zijn activiteiten voor de bescherming van vluchtelingen. En 3° ervoor zorgt dat elk terugkeer programma begeleid wordt door maatregelen om de veiligheid van de vluchtelingen te waarborgen, inbegrepen tegen aanvallen van lokale inwoners.
Tot op vandaag laat het land op de gordel van Smaragd zich weinig gelegen liggen aan de bestaande afspraken. Dat moet veranderen.
Indonesië beleefde één van de meest tumultueuze jaren in zijn moderne geschiedenis. De economische ineenstorting van 1997 wakkerde de kreten naar politieke verandering enorm aan. Uiteindelijk leidde dat tot het einde van de dertigjarige heerschappij van Suharto in Mei 1998. Zijn opvolger en beschermeling, vice-president B.J. Habibie, probeerde zichzelf te distantiëren van zijn voorganger door politieke gevangenen vrij te laten, het lang ingeburgerde repressie-apparaat te ontmantelen en vrije verkiezingen op de agenda te zetten. Geen van deze maatregelen gaven hem veel legitimiteit in de ogen van een sceptische bevolking. Het leger, traditioneel het machtigste instituut na de president, leek zwakker dan ooit en meer en meer misbruiken kwamen aan het licht. Stijgende prijzen, voedseltekorten en enorme werkloosheid brachten uitbarstingen van geweld met zich mee. Arme maar bodemrijke regio’s gebruikten de nieuwe wind om hun ontvoogdingsambities alle zeilen bij te zetten. Deze eisen, samen met nieuwe stappen die op hoog niveau gezet werden tussen Portugal en Indonesië over politieke autonomie voor Oost-Timor zette het aloude debat over federalisme weer op de sporen. Wijd verspreide angsten over de mogelijke desintegratie van het land konden niet uitblijven.
Ontheemden. Op Oost-Timor was de bevolking ondertussen ten prooi gevallen aan allerlei paramilitaire milities. Alles wijst erop dat deze groepen getraind zijn door het Indonesische leger en de Nationale Politie. Ze werden eind 1998 opgericht en gebruikten bedreigingen, intimidatie en regelrecht geweld om een pro-Indonesische stemming bij de bevolking te forceren. Tienduizenden ontkwamen naar de heuvels, meer dan een kwart miljoen anderen vluchtten of werden met geweld verjaagd, meestal over de grens naar West Timor.
Oost-Timor zelf is nu vrij van militiegeweld. Maar voor een geschatte 100 à 150.000 vluchtelingen in West-Timor is de crisis allesbehalve over. Onlangs keerde een onderzoeksteam van Amnesty terug van de regio. Ze bracht verhalen mee van voortdurende bedreigingen, intimidaties en afpersingen. In sommige gevallen is er sprake van moordpartijen, ‘verdwijningen’ en seksueel geweld. De ontheemden lopen voortdurend het risico mishandeld te worden. Vooral getuigenissen van geweld tegen vrouwen zijn hardnekkig. Verschillende bronnen gewagen van verkrachtingen en ontvoeringen met de bedoeling de slachtoffers te dwingen tot prostitutie. Amnesty is bezorgd dat, waar toegang tot de kampen niet behoorlijk bewaakt is, vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn voor deze praktijken.
Aanwezigheid van nog steeds dezelfde paramilitaire milities en gebrek aan veiligheidsgaranties blijven een hypotheek leggen op de vrijwillige en veilige terugkeer van de vluchtelingen. Hun drieste activiteiten worden nu nog steeds vlotjes door de vingers gezien door de Indonesische autoriteiten. Wat maakt dat ze de facto het predikaat ‘onschendbaar’ hebben verworven. Alsof dat nog niet genoeg is verergeren regens de situaties in de slecht uitgeruste kampen. Sommige delen van de kampen lopen onder, wateraanvoer en sanitair zijn onvoldoende en het water is bovendien van slechte kwaliteit. Velen leven onder geïmproviseerde shelters van zeildoek, plastic of zelfs bladeren, nauwelijks een bescherming tegen zware regenval. Voorspelbaar gevolg: chronische diarree, malaria en tbc steken de kop op.
Terug naar huis. Een lichte verbetering in de veiligheidssituatie eind november vorig jaar zorgde voor een betere toegang tot de kampen voor de internationale humanitaire organisaties. Dringende medische hulpverlening en bijstand bij de repatriëring waren nu mogelijk. De situatie blijft echter precair en het aantal teruggekeerden is klein. Amnesty vreest dat vele vluchtelingen nog steeds belet worden terug te keren. Diegenen die de stap wagen hebben veel kans afgeperst of aangevallen te worden aan de grens. Ook krijgen ze weinig of geen informatie over de situatie in hun thuisland.
Oost-Timor is verwoest. Tienduizenden Oost-Timorezen kunnen niet mee werken aan de heropbouw van hun land omdat hun terugkeer belet wordt. De crisis zal niet voorbij zijn voor de vluchtelingen weer thuis zijn en de mensenrechtenschendingen gestopt zijn. Amnesty roept de regering in Jakarta op om 1° de vluchtelingen te beschermen, 2° de milities te ontwapenen, 3° mensenrechtenschenders voor de rechter te brengen, 4° humanitaire hulporganisaties de vrije toegang tot de kampen te verzekeren en te zorgen dat zij die het nodig hebben de hulp ook krijgen, 5° samen te werken met het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN om de terugkeer te begeleiden. Tenslotte, 5° ervoor te zorgen dat ze hun basisrechten kunnen uitoefenen, inclusief het verlaten van het land.
Van de internationale gemeenschap vraagt Amnesty dat ze 1° druk uitoefent om Indonesië er toe aan te zetten al deze verplichtingen na te leven, 2° voldoende financiële middelen voorziet voor het Commissariaat en zijn activiteiten voor de bescherming van vluchtelingen. En 3° ervoor zorgt dat elk terugkeer programma begeleid wordt door maatregelen om de veiligheid van de vluchtelingen te waarborgen, inbegrepen tegen aanvallen van lokale inwoners.
Tot op vandaag laat het land op de gordel van Smaragd zich weinig gelegen liggen aan de bestaande afspraken. Dat moet veranderen.
Trefwoorden
Oost-Timor,
reportage
zaterdag, juli 10, 1999
Amnesty International en Kosovo: Twintig jaar waakzaamheid
Twintig jaar reeds is Amnesty de luis in de pels van de Joegoslavische en Servische autoriteiten. Sinds midden de jaren ’70 kwamen regelmatig rapporten uit over de opstandige provincie Kosovo. Deze lange periode geeft Amnesty de autoriteit om te zeggen dat de crises vandaag het resultaat is van aanhoudende mensenrechten-schendingen. Met name tegen de etnische Albanezen in de provincie.
Tegen midden jaren 1990 kreeg Amnesty rapporten van dagelijkse martelingen. Duizenden werden geslagen of anderszins slecht behandeld wanneer Servische politie demonstrerende etnische Albanezen met geweld uiteensloeg. Huizen werden binnengevallen met het voorwendsel verborgen wapens te zoeken.
Marteling was een doordeweekse praktijk in gevangenissen, speciaal gericht naar diegenen die verdacht werden van politieke activiteiten, of diegenen die lid waren van Albanese organisaties. Slachtoffers waren politieke activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers en studenten.
Tot de escalatie van het conflict in maart 1998 waren de meeste onwettige moorden het werk van politie die hun gevangenen extreem slecht behandelden of martelden. Ook gevolgen van met geweld uiteengedreven demonstraties. Amnesty heeft hele reeksen van zulke gevallen genoteerd in de laatste 10 jaar. Een aantal etnische Albanezen zijn ook dood geschoten door de politie in verdachte omstandigheden.
Doorheen de late jaren tachtig en begin negentig werden honderden etnische Albanezen gevangen genomen omdat ze hun recht op vrije meningsuiting en samenkomst uitoefenden. Sommigen waren geweldloze betogers of politieke activisten. Sommigen waren leraars, beschuldigd van “het houden van illegale bijeenkomsten” - het ging dan om onofficiële lessen voor etnische Albanezen die het staatsonderwijs in de Servische taal verwierpen. Anderen waren arbeiders die deel namen aan vreedzame bedrijfsdemonstraties, en individuën die beschuldigd werden lid te zijn van op de zwarte lijst gezette Albanese organisaties. Of zelfs maar omdat ze in het bezit werden gevonden van Albanese magazines of muziektapes.
De Servische overheid weigerde systematisch om eerlijke processen te waarborgen. Wettelijke procedures werden routinematig doorbroken en omzeild, verdachten werden langer dan wettelijk bepaald vast gehouden, zonder contact met advocaten, familie of dokters. Tijdens zulke verlengde aanhoudingsperiodes werden de verdachten vaak gefolterd en slecht behandeld om hen tot bekentenissen te dwingen. Deze ‘verklaringen’ werden dan meestal zo aanvaard door de rechtbanken, zelfs al werden ze later door de betrokkenen ingetrokken.
Gewapende oppositie groepen
Het Kosovaars Bevrijdingsleger, dat vooral in 1996 in het voetlicht trad, was verantwoordelijk voor de martelingen, uitdrijvingen, ontvoeringen en moorden op vele etnische Serviërs of van Albanezen die beschouwd werden als Servische volgelingen. De meerderheid van deze schendingen vonden plaats na het begin van de miltitaire opmars van Jougoslavië.
Toen het conflict escaleerde vanaf begin 1998 werden honderden etnische Albanezen gedood door het Jougoslavische leger. Een kleiner aantal Servische onderdanen werden ontvoerd of vermoord door het Kosovaars Bevrijdingsleger.
De meest gedetaïlleerde bewijzen van zulke moorden zijn terug te vinden van slachtpartijen op grote schaal. Meestal gaat het dan over een gewapende actie waarbij het voorwendsel van retributie voor aanvallen door etnische Albanezen op Servische politie. Daarbij hoorde een grote machtsontplooïng van politie, een dorp waarin de huizen werden bestookt met mortieren en artillerie alvorens binnen te trekken. In sommige dorpen werden mannen gescheiden van vrouwen en kinderen, alvorens ze gezamenlijk geëxecuteerd werden. In andere gevallen werden de vrouwen ook slachtoffers. Tegen oktober 1998 hadden reeds 300.000 Kosovaren hun huizen ontvlucht.
Volgend op het afspringen van de onderhandelingen tussen de Jougoslavische overheid en vertegenwoordigers van de Kosovaarse Albanezen in maart 1999, verergerde de situatie snel. Zeker na de lancering van de NAVO luchtaanvallen op 24 maart. De Servische veiligheidsdiensten verjoeg honderduizenden etnische Albanezen met geweld uit hun huizen. Vluchtelingen die Macedonië en Albanië binnen kwamen, brachten vreselijke verhalen mee van moorden en andere gewelddaden door de Servische politie en paramilitairen.
Vanaf het begin van deze fase in de crises waren er Amnesty onderzoeksmissies in Albanië en Macedonië, om getuigenissen te verzamelen van Albanese vluchtelingen. Ze leverde gedetaïlleerde verhalen af van moord, verkrachting, slechte behandeling, verdwijningen en gedwongen uitdrijving. Alle getuigenissen vertellen hetzelfde verhaal. Samen met onafhankelijk onderzoek wees alles in dezelfde richting. Amnesty concludeert dan ook dat er misdaden tegen de mensheid zijn gepleegd door Jougoslavische strijdkrachten in Kosovo.
De rol van de NAVO
AI heeft haar bezorgdheid geuit over verschillende momenten dat de NAVO gehandeld zou kunnen hebben tegen de internationale humanitaire wetgeving. Onder meer de aanval op het hoofdkwartier van de Servische staatstelevisie op 23 april, waarbij 15 burgers werden gedood. AI denkt dat deze en nog andere aanvallen op doelen die geen direct verband hadden met de militaire operaties van de Servische strijdkrachten, niet kunnen goedgekeurd worden. Op 7 mei sloeg een raket in op een openbare markt en een dichtbij gelegen hospitaal, 15 mensen overleefden de inslag niet.
Tegen het einde van mei, acht weken na het beginnen van het Jougoslavische offensief, hadden reeds 845.000 etnische Albanezen de grens overgestoken. Bijna de helft van de bevolking - allemaal getraumatiseerd en de meesten ziek of gewond - gingen een onzekere toekomst als vluchteling tegemoet.
Alsof de vlucht nog niet genoeg was, werden sommige vluchtelingen onderworpen aan nog meer schendingen aan de andere kant van de grens. In Macedonië, een land dat zelf zucht onder de etnische spanningen, hebben de autoriteiten veschillende malen tijdelijk de grens gesloten, daarbij de vluchtelingen verplichtend om terug de provincie binnen te gaan.
De tragedie in Kosovo is een uitdaging naar het idee van mensenrechten zelf. Het patroon van schendingen op grote schaal dat de wereld de afgelopen maanden heeft gezien, herinnert ons er aan dat het hele concept van onschendbare, universele mensenrechten een slechts een marginale aanwezigheid geniet. Dat gedwongen uitdrijving, buitengerechtelijke executies en verdwijningen nog steeds kunnen plaatsvinden op zulke schaal, zou ons wars moeten maken van elk gevoel va zelfgenoegzaamheid als het gaat over wat op dit vlak gerealiseerd is in de laatste vijftig jaar.
Tegen midden jaren 1990 kreeg Amnesty rapporten van dagelijkse martelingen. Duizenden werden geslagen of anderszins slecht behandeld wanneer Servische politie demonstrerende etnische Albanezen met geweld uiteensloeg. Huizen werden binnengevallen met het voorwendsel verborgen wapens te zoeken.
Marteling was een doordeweekse praktijk in gevangenissen, speciaal gericht naar diegenen die verdacht werden van politieke activiteiten, of diegenen die lid waren van Albanese organisaties. Slachtoffers waren politieke activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers en studenten.
Tot de escalatie van het conflict in maart 1998 waren de meeste onwettige moorden het werk van politie die hun gevangenen extreem slecht behandelden of martelden. Ook gevolgen van met geweld uiteengedreven demonstraties. Amnesty heeft hele reeksen van zulke gevallen genoteerd in de laatste 10 jaar. Een aantal etnische Albanezen zijn ook dood geschoten door de politie in verdachte omstandigheden.
Doorheen de late jaren tachtig en begin negentig werden honderden etnische Albanezen gevangen genomen omdat ze hun recht op vrije meningsuiting en samenkomst uitoefenden. Sommigen waren geweldloze betogers of politieke activisten. Sommigen waren leraars, beschuldigd van “het houden van illegale bijeenkomsten” - het ging dan om onofficiële lessen voor etnische Albanezen die het staatsonderwijs in de Servische taal verwierpen. Anderen waren arbeiders die deel namen aan vreedzame bedrijfsdemonstraties, en individuën die beschuldigd werden lid te zijn van op de zwarte lijst gezette Albanese organisaties. Of zelfs maar omdat ze in het bezit werden gevonden van Albanese magazines of muziektapes.
De Servische overheid weigerde systematisch om eerlijke processen te waarborgen. Wettelijke procedures werden routinematig doorbroken en omzeild, verdachten werden langer dan wettelijk bepaald vast gehouden, zonder contact met advocaten, familie of dokters. Tijdens zulke verlengde aanhoudingsperiodes werden de verdachten vaak gefolterd en slecht behandeld om hen tot bekentenissen te dwingen. Deze ‘verklaringen’ werden dan meestal zo aanvaard door de rechtbanken, zelfs al werden ze later door de betrokkenen ingetrokken.
Gewapende oppositie groepen
Het Kosovaars Bevrijdingsleger, dat vooral in 1996 in het voetlicht trad, was verantwoordelijk voor de martelingen, uitdrijvingen, ontvoeringen en moorden op vele etnische Serviërs of van Albanezen die beschouwd werden als Servische volgelingen. De meerderheid van deze schendingen vonden plaats na het begin van de miltitaire opmars van Jougoslavië.
Toen het conflict escaleerde vanaf begin 1998 werden honderden etnische Albanezen gedood door het Jougoslavische leger. Een kleiner aantal Servische onderdanen werden ontvoerd of vermoord door het Kosovaars Bevrijdingsleger.
De meest gedetaïlleerde bewijzen van zulke moorden zijn terug te vinden van slachtpartijen op grote schaal. Meestal gaat het dan over een gewapende actie waarbij het voorwendsel van retributie voor aanvallen door etnische Albanezen op Servische politie. Daarbij hoorde een grote machtsontplooïng van politie, een dorp waarin de huizen werden bestookt met mortieren en artillerie alvorens binnen te trekken. In sommige dorpen werden mannen gescheiden van vrouwen en kinderen, alvorens ze gezamenlijk geëxecuteerd werden. In andere gevallen werden de vrouwen ook slachtoffers. Tegen oktober 1998 hadden reeds 300.000 Kosovaren hun huizen ontvlucht.
Volgend op het afspringen van de onderhandelingen tussen de Jougoslavische overheid en vertegenwoordigers van de Kosovaarse Albanezen in maart 1999, verergerde de situatie snel. Zeker na de lancering van de NAVO luchtaanvallen op 24 maart. De Servische veiligheidsdiensten verjoeg honderduizenden etnische Albanezen met geweld uit hun huizen. Vluchtelingen die Macedonië en Albanië binnen kwamen, brachten vreselijke verhalen mee van moorden en andere gewelddaden door de Servische politie en paramilitairen.
Vanaf het begin van deze fase in de crises waren er Amnesty onderzoeksmissies in Albanië en Macedonië, om getuigenissen te verzamelen van Albanese vluchtelingen. Ze leverde gedetaïlleerde verhalen af van moord, verkrachting, slechte behandeling, verdwijningen en gedwongen uitdrijving. Alle getuigenissen vertellen hetzelfde verhaal. Samen met onafhankelijk onderzoek wees alles in dezelfde richting. Amnesty concludeert dan ook dat er misdaden tegen de mensheid zijn gepleegd door Jougoslavische strijdkrachten in Kosovo.
De rol van de NAVO
AI heeft haar bezorgdheid geuit over verschillende momenten dat de NAVO gehandeld zou kunnen hebben tegen de internationale humanitaire wetgeving. Onder meer de aanval op het hoofdkwartier van de Servische staatstelevisie op 23 april, waarbij 15 burgers werden gedood. AI denkt dat deze en nog andere aanvallen op doelen die geen direct verband hadden met de militaire operaties van de Servische strijdkrachten, niet kunnen goedgekeurd worden. Op 7 mei sloeg een raket in op een openbare markt en een dichtbij gelegen hospitaal, 15 mensen overleefden de inslag niet.
Tegen het einde van mei, acht weken na het beginnen van het Jougoslavische offensief, hadden reeds 845.000 etnische Albanezen de grens overgestoken. Bijna de helft van de bevolking - allemaal getraumatiseerd en de meesten ziek of gewond - gingen een onzekere toekomst als vluchteling tegemoet.
Alsof de vlucht nog niet genoeg was, werden sommige vluchtelingen onderworpen aan nog meer schendingen aan de andere kant van de grens. In Macedonië, een land dat zelf zucht onder de etnische spanningen, hebben de autoriteiten veschillende malen tijdelijk de grens gesloten, daarbij de vluchtelingen verplichtend om terug de provincie binnen te gaan.
De tragedie in Kosovo is een uitdaging naar het idee van mensenrechten zelf. Het patroon van schendingen op grote schaal dat de wereld de afgelopen maanden heeft gezien, herinnert ons er aan dat het hele concept van onschendbare, universele mensenrechten een slechts een marginale aanwezigheid geniet. Dat gedwongen uitdrijving, buitengerechtelijke executies en verdwijningen nog steeds kunnen plaatsvinden op zulke schaal, zou ons wars moeten maken van elk gevoel va zelfgenoegzaamheid als het gaat over wat op dit vlak gerealiseerd is in de laatste vijftig jaar.
Trefwoorden
Ex-Yougoslavië,
reportage
vrijdag, juli 09, 1999
Vlaamse Amnesty-missie terug uit Albanië - Antwerpse getuigt over huiveringwekkende gruweldaden
Onlangs keerden twee Vlamingen terug uit Albanië. Ze waren op onderzoeksmissie voor de mensenrechtenorganisatie Amnesty International. Karen De Dycker en Bart D'Hooghe zijn beiden deskundigen in het registreren van getuigenissen inzake mensenrechtenschendingen. Hun onderzoek kaderde in een rapport dat in de maak is over verkrachtingen en seksuele misbruiken. Onderweg stuitten Karen en Bart op huiveringwekkende getuigenissen.
Ze verhalen ook van een Belgische legercommandant die weigert 1500 vluchtelingen
mee te nemen op een 18-uur durende rit omdat het UNHCP, (VN Hoog Commissariaat
voor Vluchtelingen) geen water of voedsel wil leveren. De meeste van die vluchtelingen hebben op dat ogenblik al lang niet meer gegeten en zijn de uitputting nabij. Een klein staaltje uit een lange reeks die de schrijnende incompetentie illustreert van de grootste bureaucratie ter wereld.
Bij het luisteren naar verhalen in de kampen stootte Karen op een aantal vrouwen die zware vernederingen hadden moeten ondergaan. Het gebeurde in een klein dorpje. Het Joegoslavische leger viel er binnen en scheidde mannen en vrouwen van elkaar. De mannen werden weggevoerd naar een onbekende bestemming. Hun familie heeft ze tot vandaag niet teruggezien. De zowat 200 vrouwen werden ondergebracht in drie huizen waar ze overdag moesten kuisen en koken. Een tiental vrouwen werd 's avonds naar het huis gebracht waar de plaatselijke korpscommandant zijn hoofdkwartier hield. Drie machten na elkaar werden die vrouwen herhaaldelijk verkracht door de commandant en vijf van zijn soldaten. Daarna werden ze allen weggestuurd. De weinige bezittingen die ze nog hadden, werden hen eerst of genomen. Alle mogelijke vormen van identificatie, juwelen en geld zijn ze kwijt. "Het enorme taboe dat hangt rond verkrachting maakte het er niet makkelijker op om hen dit verhaal te laten vertellen," zegt Karen. De sociale controle voor vrouwen is enorm, en verkrachting is in de heersende moslimcultuur een stigma. De vrouwen zijn doodsbang dot hun mannen zouden vernemen wat er met hen gebeurd is. Dat zou betekenen dot hun eer geweld is aangedaan en ze hun vrouw dan moeten verstoten. Vandaar: geen namen noch locaties. Hun mannen zouden ergens het nieuws kunnen lezen in de kranten.
Belangrijke vraag is of dit nu een geïsoleerd incident is. Op dit ogenblik is ze
onbeantwoordbaar. Verder onderzoek zou dit moeten uitwijzen, aldus Bart. Wel is het van belang de getuigenissen snel te noteren, anders is er gevaar voor beïnvloeding.
Dorp wordt massagraf
In de nacht van 13 op 14 mei was het dorp Korissa, op 7 km van Priznen, het toneel voor een tragedie. In twee offensieven viel de het Joegoslavische leger binnen. De eerste en laatste huizenrijen werden in brand gestoken. De middenste werd het hoofdkwartier van de militairen. De bewoners werden de bergen ingejaagd. Wanneer ze 's nachts terug komen om voedsel te halen, vinden ze de lijken van toen oudere dorpsbewoners. Maar wat ze de dag daarna zien tart alle verbeelding. In de onmiddellijke omgeving van het dorp wordt met een kraan een grote put gegraven. De eerste put dient als massagraf voor de tien ouderlingen. Ze worden toegedekt met afval dat wordt aangevoerd met tractors. In de zes daaropvolgende dagen komen vrachtauto’s vol 1ijken af en aan rijden. Nieuwe putten worden ermee gedempt. Een toeschouwer heeft een sterke verrekijker bij zich. Vanaf nabijgelegen heuvels zien ze hoe een grijper de lijken vanuit de camion in de put deponeert. Dat schokt hen nog het meest. Een andere bewoner filmt het geheel met een amateur videocamera. De band zit nu ergens begraven in de grand, uit schrik voor problemen aan de grens. Volgens de getuigen werden er zo 200 à 300 lijken per dag gedumpt. Waar ze vandaan kwamen, wisten ze niet.
Een kleine groep die 's nachts verrast werd bij de zoektocht naar voedsel, werd
gemarteld en vermoord. Wanneer veertien dagen later de moskee van het dorp werd
opgeblazen en daarmee het hart uit de gemeenschap gerukt, had het geen zin nog te blijven. In groepen van tachtig slopen ze weg, in de beschutting zoekend in de bergen.
Dodelijk oponthoud
Een andere tragedie speelde zich of in het dorpje Studime, waar een groep vluchtelingen passeerde onderweg naar de grens. De groep van 30 tractoren werd
omsingeld en de jonge mannen werden eraf gehaald. Een aantal van hen werd voor de ogen van hun familie neergeschoten. Ze moesten al hun geld afgeven. 600 mark, 1.000 mark. Wie geen geld had werd neergeknald. Een meisje van 12 zag hoe haar vader met de loop tegen het hoofd neerschieten en verder aan flarden geschoten. Daarna werden de doodsbenauwde overblijvers bijeen gedreven en langs een grote omweg naar Albanië gestuurd.
Toen de groep aankwam in Kukés, werden ze zo slecht opgevangen da ze onmiddellijk weer vertrokken. Toen Bart en Karen hen ontmoetten, vormden ze nog
slechts een zielig hoopje ellende bijeengetroept onder wat plastic zeilen. Ze hadden reeds 36 uur niet meer gegeten.
Incompetentie
Over de opvang van de vluchtelingen zijn beide 'veldonderzoekers' niet te spreken. “Wanneer de nieuw aangekomen vluchtelingen arriveren in Kukés, blijft de ontvangst beperkt tot een blaadje papier met daarop een lijstje van de kampen. Verder moeten ze het zelf maar uitzoeken. Er werd niet verteld dat ze er maar tijdelijk een onderkomen zouden krijgen. Mensen die zich een thuis weg van thuis hadden gemaakt in de tentenkampen, kregen plots te horen dat ze naar het zuiden moesten. De kampen werden gesloten omdat ze te dicht bij de grens lagen. Ondertussen hadden de bewoners zich georganiseerd, schooltjes opgericht. Voor hen was het belangrijk om dicht bij hun dorpen te blijven. Terwijl de goed verdienende UNHCR mensen haast niets uitvoeren, struikel je over de vele vrijwilligers van NGO’s, die goed werk leveren.
Om iets gedaan te krijgen bij het UNHCR, moesten ze voortdurend dreigen met persconferenties. Voor het Internationale AI-secreteriaat in Londen begint het werk nu pas echt. Al de verhalen moeten nu grondig worden nagegaan en geanalyseerd. Nog missies zullen volgen. Momenteel spreekt Amnesty van ‘incidentele verkrachtingen’. Of het geweld op de burgers systematisch is, dat zou het onderzoek moeten uitwijzen. Voor Karen en Bart zijn de verhalen in ieder geval echt.
Ze verhalen ook van een Belgische legercommandant die weigert 1500 vluchtelingen
mee te nemen op een 18-uur durende rit omdat het UNHCP, (VN Hoog Commissariaat
voor Vluchtelingen) geen water of voedsel wil leveren. De meeste van die vluchtelingen hebben op dat ogenblik al lang niet meer gegeten en zijn de uitputting nabij. Een klein staaltje uit een lange reeks die de schrijnende incompetentie illustreert van de grootste bureaucratie ter wereld.
Bij het luisteren naar verhalen in de kampen stootte Karen op een aantal vrouwen die zware vernederingen hadden moeten ondergaan. Het gebeurde in een klein dorpje. Het Joegoslavische leger viel er binnen en scheidde mannen en vrouwen van elkaar. De mannen werden weggevoerd naar een onbekende bestemming. Hun familie heeft ze tot vandaag niet teruggezien. De zowat 200 vrouwen werden ondergebracht in drie huizen waar ze overdag moesten kuisen en koken. Een tiental vrouwen werd 's avonds naar het huis gebracht waar de plaatselijke korpscommandant zijn hoofdkwartier hield. Drie machten na elkaar werden die vrouwen herhaaldelijk verkracht door de commandant en vijf van zijn soldaten. Daarna werden ze allen weggestuurd. De weinige bezittingen die ze nog hadden, werden hen eerst of genomen. Alle mogelijke vormen van identificatie, juwelen en geld zijn ze kwijt. "Het enorme taboe dat hangt rond verkrachting maakte het er niet makkelijker op om hen dit verhaal te laten vertellen," zegt Karen. De sociale controle voor vrouwen is enorm, en verkrachting is in de heersende moslimcultuur een stigma. De vrouwen zijn doodsbang dot hun mannen zouden vernemen wat er met hen gebeurd is. Dat zou betekenen dot hun eer geweld is aangedaan en ze hun vrouw dan moeten verstoten. Vandaar: geen namen noch locaties. Hun mannen zouden ergens het nieuws kunnen lezen in de kranten.
Belangrijke vraag is of dit nu een geïsoleerd incident is. Op dit ogenblik is ze
onbeantwoordbaar. Verder onderzoek zou dit moeten uitwijzen, aldus Bart. Wel is het van belang de getuigenissen snel te noteren, anders is er gevaar voor beïnvloeding.
Dorp wordt massagraf
In de nacht van 13 op 14 mei was het dorp Korissa, op 7 km van Priznen, het toneel voor een tragedie. In twee offensieven viel de het Joegoslavische leger binnen. De eerste en laatste huizenrijen werden in brand gestoken. De middenste werd het hoofdkwartier van de militairen. De bewoners werden de bergen ingejaagd. Wanneer ze 's nachts terug komen om voedsel te halen, vinden ze de lijken van toen oudere dorpsbewoners. Maar wat ze de dag daarna zien tart alle verbeelding. In de onmiddellijke omgeving van het dorp wordt met een kraan een grote put gegraven. De eerste put dient als massagraf voor de tien ouderlingen. Ze worden toegedekt met afval dat wordt aangevoerd met tractors. In de zes daaropvolgende dagen komen vrachtauto’s vol 1ijken af en aan rijden. Nieuwe putten worden ermee gedempt. Een toeschouwer heeft een sterke verrekijker bij zich. Vanaf nabijgelegen heuvels zien ze hoe een grijper de lijken vanuit de camion in de put deponeert. Dat schokt hen nog het meest. Een andere bewoner filmt het geheel met een amateur videocamera. De band zit nu ergens begraven in de grand, uit schrik voor problemen aan de grens. Volgens de getuigen werden er zo 200 à 300 lijken per dag gedumpt. Waar ze vandaan kwamen, wisten ze niet.
Een kleine groep die 's nachts verrast werd bij de zoektocht naar voedsel, werd
gemarteld en vermoord. Wanneer veertien dagen later de moskee van het dorp werd
opgeblazen en daarmee het hart uit de gemeenschap gerukt, had het geen zin nog te blijven. In groepen van tachtig slopen ze weg, in de beschutting zoekend in de bergen.
Dodelijk oponthoud
Een andere tragedie speelde zich of in het dorpje Studime, waar een groep vluchtelingen passeerde onderweg naar de grens. De groep van 30 tractoren werd
omsingeld en de jonge mannen werden eraf gehaald. Een aantal van hen werd voor de ogen van hun familie neergeschoten. Ze moesten al hun geld afgeven. 600 mark, 1.000 mark. Wie geen geld had werd neergeknald. Een meisje van 12 zag hoe haar vader met de loop tegen het hoofd neerschieten en verder aan flarden geschoten. Daarna werden de doodsbenauwde overblijvers bijeen gedreven en langs een grote omweg naar Albanië gestuurd.
Toen de groep aankwam in Kukés, werden ze zo slecht opgevangen da ze onmiddellijk weer vertrokken. Toen Bart en Karen hen ontmoetten, vormden ze nog
slechts een zielig hoopje ellende bijeengetroept onder wat plastic zeilen. Ze hadden reeds 36 uur niet meer gegeten.
Incompetentie
Over de opvang van de vluchtelingen zijn beide 'veldonderzoekers' niet te spreken. “Wanneer de nieuw aangekomen vluchtelingen arriveren in Kukés, blijft de ontvangst beperkt tot een blaadje papier met daarop een lijstje van de kampen. Verder moeten ze het zelf maar uitzoeken. Er werd niet verteld dat ze er maar tijdelijk een onderkomen zouden krijgen. Mensen die zich een thuis weg van thuis hadden gemaakt in de tentenkampen, kregen plots te horen dat ze naar het zuiden moesten. De kampen werden gesloten omdat ze te dicht bij de grens lagen. Ondertussen hadden de bewoners zich georganiseerd, schooltjes opgericht. Voor hen was het belangrijk om dicht bij hun dorpen te blijven. Terwijl de goed verdienende UNHCR mensen haast niets uitvoeren, struikel je over de vele vrijwilligers van NGO’s, die goed werk leveren.
Om iets gedaan te krijgen bij het UNHCR, moesten ze voortdurend dreigen met persconferenties. Voor het Internationale AI-secreteriaat in Londen begint het werk nu pas echt. Al de verhalen moeten nu grondig worden nagegaan en geanalyseerd. Nog missies zullen volgen. Momenteel spreekt Amnesty van ‘incidentele verkrachtingen’. Of het geweld op de burgers systematisch is, dat zou het onderzoek moeten uitwijzen. Voor Karen en Bart zijn de verhalen in ieder geval echt.
Trefwoorden
Ex-Yougoslavië,
Interview
Abonneren op:
Posts (Atom)
